ibooksonline

The Project Gutenberg EBook of Specialiteiten, by Multatuli

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net

Title: Specialiteiten

Author: Multatuli

Release Date: January 9, 2004 [EBook #10664]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO Latin-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SPECIALITEITEN ***

Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe.

SPECIALITEITEN

DOOR
MULTATULI

"THE RIGHT MAN ON THE RIGHT PLACE"

«Het doet me groot genoegen dat er van dit werkjen 'n tweede druk gevraagd wordt. En, ronduit gezegd, het viel me tegen dat die niet sedert lang noodig was. 't Zal me waarlijk 'n groote voldoening wezen als deze uitgaaf wat spoediger uitgeput raakt dan de eerste, want—zoo onbescheiden als men wil, maar heel oprecht—ik geloof met zekeren my onbekenden recensent in den Spectator, dat er uit deze studie over Specialiteiten wel iets zou te leeren vallen voor Volksvertegenwoordigers, Kiezers en … sommige anderen

Bovenstaande regelen maakten in 't najaar van 1875 den hoofdinhoud uit van het «Voorbericht» waarmee deze tweede druk van m'n opstel over Specialiteiten in 't licht verschynen zou. Velerlei verdrietige omstandigheden maakten my het afwerken der in datzelfde Voorbericht toegezegde «Noten» tot-nog-toe onmogelyk.

Bovendien werd me van vele zyden onder 't oog gebracht dat het voor de koopers van den eersten druk myner werken niet aangenaam is, de volgende uitgaven daarvan al te zeer uitgebreid te zien.

Na vriendschappelyk overleg met m'n uitgever, verschynt nu deze tweede druk zonder die noten, en—op weinige min belangryke uitzonderingen na—onveranderd.[1] De toelichtingen die me geschikt voorkomen tot verdere staving van de juistheid der hoofddenkbeelden waaraan dit werkje z'n oorsprong te danken heeft, zullen zoo spoedig mogelijk afzonderlyk worden uitgegeven.

Het is my onmogelyk dit berichtje te sluiten, zonder melding te maken van de echt-humane wyze, waarop ik in deze zaak door den heer WALTMAN[2] behandeld werd.

Met zachtmoedig geduld droeg hy den last en de schade die myn gedurig uitstellen hem berokkenden, zonder ooit de verdrietelykheden die van dat dralen oorzaak waren, te vermeerderen door afdoening te vorderen op 'n wyze als waartoe hy van zyn standpunt volkomen gerechtigd zou geweest zyn. Hartelyk dank!

Wiesbaden Oktober 1878. MULTATULI.

Noten:

[1] Een maand later. Onder 't gereedmaken van m'n werk voor de pers, bleek me dat ik myn hier geuit voornemen maar gedeeltelyk volbrengen kòn. De bydrage tot de physiologie van kamerdienaars, is nieuw. Het viel my te zwaar die satyre achtertehouden … er stonden zooveel knechts op 'n spiegeltje te wachten!

Ook op andere plaatsen heb ik my aan eenige toelichting en uitbreiding schuldig gemaakt, zonder nu te spreken van de moeite die ik me gaf om, door 't omwerken van zinsneden die my in 't oorspronkelyke niet korrekt voorkwamen, de uitdrukking beter in overeenstemming te brengen met de gedachte. Of die moeite steeds met goed gevolg bekroond werd, is 'n verdrietige vraag die ik liever niet beantwoord. Het is nu eenmaal zoo, dat ik hier en daar iets veranderd en bygevoegd heb, en daarvoor vraag ik met 'n beroep op IDEE 112 verschooning aan de koopers van de eersten druk.

De uitbreiding en de veranderingen die ik my veroorloofde, zyn evenwel geenszins van dien aard dat zy de Noten en Toelichtingen overbodig maken, waarvan ik in bovenstaand berichtje gesproken heb. Ik meen ze grootendeels gereed te hebben, maar weet by ondervinding dat ik by 't overgeven van m'n werk aan de pers, gewoonlyk de behoelte aan omwerking inzie. Voor dien arbeid is gezondheid, stemming, loisir noodig. Zoodra ik kàn!

MULT.

[2] De uitgever van den 2en druk, J. WALTMAN JR., te Delft. (Nota der uitgevers van den vierden druk).

The right man on the right place.

I.

Na Carnaval de Vénise en Duitsche eenheid, zal men moeielyk afgezaagder thema vinden dan dit arme mishandelde motto. Wanneer ik nu nog bovendien verklaar, niet volkomen zeker te zyn dat ik de zaak van Dr. DIBBETS onaangeroerd zal laten, en zelfs beloof hier-en-daar iets te zeggen over vaderlandsche welzynen, volksheilen en zulke zaken, dan zal men hoop ik inzien ditmaal niet te-doen te hebben met een der «exentrieke stukken, gelyk men gewoon is van dien schryver te lezen.» Een kwalifikatie welke ik aanbeveel in de aandacht van referenten die geen kans zien zoodanig stuk van zoodanigen schryver behoorlyk te ontleden. Dit zy gezegd zonder minachting voor andere middelen die niet minder efficace werken, het zwartmaken byv. van des schryvers karakter. In beide gevallen kan men de moeite van 't kennisnemen, doorgronden en beoordeelen der behandelde zaak sparen en, niets zeggende, zich aanstellen alsof men iets gezegd had.

—Wel, kapitein, hoe bevalt u Amboina? vroeg onze goeie majoor HARTZFELD den Hollandschen gezagvoerder van 't schip dat my zou overvoeren naar Europa.

—Wat zal ik je zeggen, m'nheer! Amboina? Och, Amboina is … 'n eiland.

—Wel, referent, wat heeft die schryver geleverd?

—Wat zal ik u zeggen, Publiek. Die schryver is excentriek.

De goede majoor HARTZFELD toonde zich tevreden uit bescheidenheid. Hy eischte van m'n kaptein geen gemotiveerde analyse van den indruk dien 't hoogst-interessante Amboina op hem maakte. En ook «Publiek» is tevreden met z'n referent, al zy 't dan niet heel bescheiden zoo'n armen schryver doodteslaan met één slag.

Hebt ge er wel eens aan gedacht, Nederlanders, hoe excentriek de schoonste stukken uit uw Bybel zyn?

Nu, ik zal 't niet wezen. En daarom de zaak DIBBITS-KEER! En daarom dat versleten motto! En daarom ook die uitweiding over excentriciteit, een der meest afgezaagde minst excentrieke dingen van de wereld … zaak, woord en uitweiding daarover, alle drie.

Wie heden-ten-dage iets te zeggen heeft, waarby the right man on the right place kan worden te-pas gebracht, maakt zich waarlyk niet schuldig aan ongewoonheid. Men zegt—maar hier moet ik ernstig aandringen op geheimhouding—men zegt dat ergens in ons land zekere redakteur bezig is met het schryven van 'n hoofdartikel, waarin dat testimonium van het hedendaagsch savoir faire maar driemaal zal voorkomen. Indien 't hem gelukt, zal hy daarna z'n krachten beproeven aan 'n verhandeling zonder klinkers. Daar ziet hy kans toe. Maar 't andere …

Van jongs-af lette ik vry nauwkeurig op eb en vloed van modewoorden. Ik herinner me den tyd toen «bluf» geboren werd. De lezer ziet hoe goedig ik hem gelegenheid bied tot goedkoope spotterny. Ik heb de woorden «type» «humor» en «genie» in de kindsheid hunner populariteit gekend. «Bepaald» is jonger. Een der nog jongeren is «intens» om nu van «objektief» en «subjektief» niet te spreken …

* * * * *

Tot m'n schaamte moet ik erkennen dat m'n omgeving niet gedistingeerd genoeg was, om my in-staat te stellen tot het genieten der primeur van Engelsche stopwoorden. Een beetje Fransch, wat school-of studenten-latyn, een tot den huiselyken kring doorgedrongen straatterm—men kan z'n ooren niet sluiten—was alles wat my in m'n jeugd voortgezet werd. De Engelsche praatjes uit dien tyd bepaalden zich tot the devil is an ass take a basket and save the pieces of your soul, en Yankee Doodle's klacht: he couldn't find the town, he saw too many houses. Later, veel later, ontvingen we uit Amerika Jonathan's raadgeving aan z'n zoon: «Be honest my boy, be honest if possible, but … make money!» Maar dat komt hier eigenlyk niet te-pas, want in die les steekt praktisch nut. Vandaar dan ook dat ze zelden wordt aangehaald. Men stopt haar weg om niet uit de school te klappen, waaruit schynt te blyken dat de diepte van den zin den opgang der verraderlyke klanken in den weg staat. Zinledige praatjes als de aangehaalde, hoe flauwer hoe liever, hebben méér kans op populariteit. Ze waren dan ook sans malice. Men gebruikte ze op z'n juffrouw Pieterse's «om zoo iets te zeggen.» Men maakte er geen «eerst beginsel» van, waarop—onder andere zaakjes—de heele schepping berustte. Men spon er geen hoofdartikels om heen. Men borduurde er geen tableau van wysheid of moraal op. Men sausde er geen smakeloos krantengerechtje mee …

Onschuldige jeugd!

* * * * *

Toch excentriek!

De inkleeding … misschien! Maar overigens … Lezer, ik koos m'n eigen manier om u voortebereiden tot het betoog dat de uitdrukking:

the right man on the right place

ten-onzent is afgedaald tot 'n armzalig vulsel, tot 'n scie, tot 'n stopwoord. Neen, tot iets ergers … tot 'n onwaarheid. Help my de dagen terugwenschen van den goeden Yankee, wiens liedje geen kwaad stichtte. Dat rymloos rympje van den rechten man op de rechte plaats, sticht wèl kwaad.

* * * * *

Indien al de hoedanigheden—of de hoogst bereikbare maat daarvan—die 'n veldwachter behooren te versieren, vereenigd worden aangetroffen in de persoon van X, dan juich ik—in de veronderstelling dat ik me verbeeld op de hoogte te zyn—zoo luid als iemand de benoeming van dien X tot veldwachter, toe. Men moet 'n ongeneeslyk melancholikus wezen, of al zeer weinig tyd hebben, om by zoo'n gelegenheid niet meetejuichen. In dezen zin alzoo durf ik 't Engelsch dicton niet aanvallen. Ik buig me voor de diepzinnige waarheid, dat'n zwaard past in z'n scheede, en 'n sleutel op 't slot waarbydi behoort. Dat 'n kraamkind in de wieg moet liggen—al blyf ik protesteeren tegen 't schommelen. Dat die X veldwachter wezen moet, en z'n neef Y lid van 'n invloedryk matigheidsgenootschap. Ook dat minister Z verdiende bevorderd te worden tot ambteloos burger … altemaal right things on their right places, of disederata daartoe strekkende.

Maar eilieve, we zullen toch niet van Engelsche wyzen hoeven te leeren dat men geen kraamkind veldwachter maakt, dat minister Z op geen enkel slot past, en dat men Y z'n roes niet kan laten uitslapen in 'n wieg? Dit alles wisten wy reeds in Yankee's tyd, en zelfs vóór WILLEM den Veroveraar. Ik bedoel den Normandischen WILLEM.

Er moet dus in dat gezegde over de juiste plaatsing van personen —tenzy daarin géén zin hoegenaamd ligge—iets verscholen zyn, dat de geestelyk-geringe man niet zoo terstond vat, en deze meening wordt bevestigd door de koppigheid waarmee men die uitspraak handhaaft in 't bezit der bewyzen van haar Engelschen oorsprong.

De uitstekende X is dus veldwachter geworden.

—Dat doet me genoegen. Hy was twaalf jaren lang 'n voorbeeld van dragondertrouw, geloof ik.

—Hm! Dàt is nu juist de reden van z'n benoeming niet. Hy reed nooit te-paard.

—Hy heeft veel vrouwen en kinderen …

—'t Kan zyn. Maar niet daarom werd hy aangesteld.

—Hy is «finaal» vry van sterken drank.

—'t Is mogelyk. Maar … je bent er nog niet.

—Hy heeft weinig vrouwen en géén kinderen, maar zal trouwen met de keukenmeid van den burgemeester?

—Dat is zyn zaak. Niet daarom is hy benoemd.

—Hy gebruikte Theophile's wonderbalsem. Z'n knevel zal alle dieven en jachtstroopers schrik inboezemen.

—Mis!

—Ik geef 't op.

—Onnoozele! Raad nog eens!

—Hy, hy, hy … ik weet het waarlyk niet.

—Och, m'n waarde oudmodische gearriëreerde allerbeste vriend … je bent honderd jaar ten-achter. X is … the right man on the right place! Dat 's wat anders dan vrouwen, kinderen, knevels en 'n keukenmeid!

Wie nu nog minder Engelsch verstaat dan 'n gepensioneerd Gouverneur- Generaal, zou byna in verzoeking komen te gelooven dat die woorden een onvertaalbaar tooverformulier inhouden, 'n verzekering dat X z'n benoeming aan de wondervolle tusschenkomst van 'n beschermengel te danken had, die in droomgezicht of donderwolk den burgemeester verschenen was …

Niets van dat alles. De heele zaak komt hierop neer, dat X geschikt werd geacht voor die betrekking.

Eilieve, waarom drukken wy zoo'n eenvoudige begrypelyke Hollands- menschelyke zaak in vreemde taal uit?

* * * * *

Ik herinner me hoe in 1842 de vriendin eener dame te Padang, die over haar geringe afkomst werd gehekeld …

«Haar vader was trompetter» had men beweerd.

… hoe die vriendien party-trok voor de gehoonde afwezige, met 'n heftig:

Ja, maar … 'n Engelsche trompetter!

Dààrover werd gelachen. Men vond de verdediging even zot als de aanval dom en kwaadaardig was. Doch, ik vraag u, Nederlanders, U die aldus «volkerenwysheid» borgt van den vreemdeling, of ge niet wat al te gastvry zyt in het onthalen van 't Engelsch trompetterskind dat we hier onderhanden hebben genomen om 't 'n fatsoenlyke begrafenis te bezorgen? Komaan, ik stel u voor, alle kinderen even lief te hebben —van trompetters en anderen—maar juist dààrom geen onverdiende hoogheid toetekennen aan vreemd kroost, en vooral niet omdat er wat trompetterigs bykomt.

Laat ons eenvoudig zyn, en nu-en-dan—als het te-pas komt, waarom niet?—vorderen dat ieder en alles op de plaats zy, waarvoor hy en het geschikt zyn. En laat ons dit doen zonder 'n ophef alsof we de diepzinnigste waarheid van de wereld verkondigen. Laten we daarby de leugen vermyden, klaterwaarde van citaat optedringen aan 'n uitspraak, zoo huisbakken-eenvoudig dat er geen geklater, geen Engelsch en vooral geen trompet—ik spreek nu niet van hoofdartikel- schryvery—by te-pas komt.

* * * * *

Indien ik hier m'n uitval tegen de pretentieuze afkomst van die Padangsche dame besluiten mocht, had de heele uitval achterwege kunnen blyven. Ik heb betoogd dat men zeer goed in 't Hollandsch zeggen en doordryven kan, dat het nuttig is, ieder te plaatsen waar hy naar gaven, karakter, fortuin, ouderdom, enz., tehuis behoort. En … dat men zich daarby niet behoeft te beroepen op exotische wyzigheid. Welnu, ik mag na dit allergemakkelykst betoogje, niet van dat onderwerp afstappen. Want ik hoop opgewekt te hebben tot de vraag:

—Wanneer die Engelsche waarheid zoo eenvoudig voor de hand ligt, vanwaar dan dat ze, alsof 't een diepzinnig spreekwoord was, kracht van tekst heeft gekregen? Er moet daarin toch iets meer liggen dan in sommige andere spreekwyzen—«mooi weer vandaag» «twee maal twee is vier» de Nederlander is braaf, enz. enz.—die we gewoon zyn in 't Hollandsch te zeggen. Beproef gyzelf eens, aan een lauw, dor, banaal hoofdartikel schyn van gewicht te geven …

—Zonder klinkers?

—Neen, zonder scie, zonder stoplap van dien aard.

—Ge erkent dus dat het Engelsch trompetterswicht 'n scie is.

—Ten-naaste-by. Ik erken dat het zich wat te burgerlyk voordoet om pretentie te gronden op vreemdigheid van afkomst. Maar vanwaar dan de ophef? Er moet toch 'n oorzaak zyn waarom zoo'n … praatje fortuin maakte. Men zou toch niet wanen of beproeven 't publiek te imponeeren met elke andere banaliteit in vreemde taal uitgedrukt?

—Spreek toch niet te stout over wat men niet beproeven zou. Ik heb waarlyk wel wanhopiger pogingen zien gelukken, om nòg gewonen wysheid, nòg onbeduidender wawelpraat, als een onder SIS-tempels opgegraven mysterie binnen-te-smokkelen in de gemoederen van lezers en hoorders. Bron van oneindige kracht, uw naam is kwakzalverij!

Wie by de verheffing eener persoon tot eenig ambt, z'n tevredenheid daarover zou te kennen geven door't aantoonen van de oorzaken die zoodanige benoeming wettigen, heeft minder kans z'n overtuiging over te gieten in de gemoederen der lezers, dan iemand die z'n oordeel onder bescherming stelt van zoo'n als eerwaardig geykten term. En … de methode is gemakkelyker. Even als in de wiskunde met formules, wint men een meestal lastige en daarom eens-vooral als geldig aangenomen redeneering uit. Maar—niet als in de wiskunde—voelt men soms behoefte aan formules—zegge: frazen—om, onder valsch voorgeven van overbodigheid, de aandacht van 'n onjuiste redeneering afteleiden.

Op de vraag: «is die benoeming goed, nuttig, oorbaar, rechtvaardig?» stelle men zich niet tevreden met 'n Engelschen deun, en zelfs niet met 'n Hollandschen. De hoorder of lezer heeft recht op aantooning der gronden waarop de tevredenheid met zulke aanstelling berust. De verzekering: «A, B, C, is de rechte man op de rechte plaats» is geen betoog. Het is 'n uitspraak die—om iets waard te zyn—betoog noodig heeft.

Dat nu de velen die klank voor zin nemen, uit traagheid met zulke klanken tevreden zyn, heldert nog geenszins op, waarom juist het hier behandeld Engelsch gezegde zooveel onverdiend fortuin maakte. Er moet nog 'n andere oorzaak wezen, die 't arme trompetterskind verhief tot 'n druk bereden stokpaard van krantenschryvers, en tot motto van dit opstel. Een ongewone eer, waarlyk! Want inderdaad, het is na den val der Fransche journalistiek—ieder zal toch nu wel erkennen, dat het ongelukkig Frankrijk aan frazen bezweken is!—'t is na de schipbreuk der couranten-wysheid zoo gemakkelyk niet 'n redakteur bytestaan in het telle-quelle vertoonbaar maken van 'n hoofdartikel! De «deun» die thans nog altyd, na 't bloedig mene tekel aan de wanden der redaktie-bureaux, moed, lust en kracht levert tot het voorzetten van de ongezonde feestmalen waarop «Publiek» genoodigd wordt door de Belsasars van de pers, moet machtige beschermers hebben … verdedigers van 't nobel gehalte dier Padangsche vriendin.

En … de eer der plaatsing boven 'n stuk van my! Van my, die 't zelfs versmaden zou my op GÖTHE te beroepen ter illustreering van de waarheid dat twee meer is dan één, al zy 't dan dat die bekwame faiseur in z'n meer geprezen dan gelezen werken ontelbare zinsneden levert, waarin waarheden van dergelyk gehalte triumfantelyk worden verkondigd. Van my die m'n weerbarstig gemoed niet kan buigen tot 'n eerbiedig: «hoe koud vandaag … gelyk de groote dichtervorst zoo wél gezegd heeft» of: «kiespyn is onaangenaam … om de kernachtige uitdrukking van een onzer meest onsterfelyke redenaars te bezigen.» Waarlyk er behoort iets toe, om—als right motto on the right place—boven 'n stuk van MULTATULI te staan …

Daar begin ik waarachtig zelf te trompetten!

Het kind dat ik uitkleeden en begraven wilde, heeft zich van my meester gemaakt.

Er moet iets achter steken. Die kracht …

Ik zal 't u zeggen. Om nu over andere oorzaken van meer ondergeschikten aard niet te spreken: 't onnoozel wicht heeft z'n taaie levensvatbaarheid te danken aan ons wanbegrip over SPECIALITEITEN.

Ook dat trompetterskind—van Hollandschen oorsprong ditmaal, of nagenoeg—behoort uitgekleed en ten grave geleid te worden. Als we daarin slagen, zullen we later wat minder last hebben van z'n schreeuwerig kameraadje.

* * * * *

Het is 'n onbetwistbare waarheid dat SOKRATES eenmaal den jongen
ALCIBIADES 'n duchtig lesje heeft gegeven over z'n onbescheidenheid.

Onbetwistbare waarheden zyn de zoodanigen, die eens ergens als 'n los vertellinkje geboekt werden, en later—liefst in 't Grieksch of Latyn—'n deun geworden zijn, waarbij men classiquement heel fatsoenlyk zweren mag.

—Ik geloof er niets van … zegt nu-en-dan de waarheidzoeker.

Maar hy vergist zich. Want:

't Is het kind van 'n Griekschen trompetter, roept de hartelijke vriend van buitenlandsche waarheid.

En we buigen 't hoofd voor die deftige afkomst.

't Is dus wel degelyk waar, dat ALCIBIADES door SOKRATES allerjammerlykst werd doodgeslagen met 'n bar: «m'n beste jongen, je ziet wel dat jy niet de rechte man op de rechte plaats zoudt zyn voor die betrekking.»

Ik heb nu, om SOKRATES te binden aan de ekonomie van m'n prachtig motto—dat wel wat mank gaat aan tautologie[1]—den man iets gebrekkiger doen preken, dan naar we hopen z'n gewoonte was. De vraag is niet of SOKRATES zich beter uitdrukte dan onze hoofdartikelschryvers. De vraag is, wat er ontbrak aan de specialiteit van ALCIBIADES, om hem zoo'n Engelsche behandeling op den hals te halen!

De goeie jongen wou magistraat zijn, en SOKRATES—misschien opgestookt door de Jezuïten, maar PLUTARCHUS verzwygt dit voorzichtig—SOKRATES wilde hem nog wat op-school houden, 't Was nog zoo heel lang niet geleden, dat de kwajongen de straat van Athene met z'n lichaam plaveide. En dan dat schandaal met dien hond!

Ik trek geen party voor ALCIBIADES. Maar … ik protesteer tegen de wijze waarop de ander hem z'n onbevoegdheid, zyn gebrek aan specialiteit, voor de voeten wierp.

—Jy magistraat … Jy? Komaan, zeg my eens, hoe hoog is het budjet van den Staat?

Daar stond onze pretmaker. Hy had getold, gesold, gedold, gerold, geknikkerd, geknibbeld en gebikkeld, buren geplaagd, nachtwachts dol gemaakt …

En ook by SOKRATES kollegie gehouden, dat is waar. Maar … wat helpt dit, als men na dit alles nog niet weet hoe groot de inkomsten van den Staat zyn?

Gebrek aan specialiteit!

Ik vraag u, o SOKRATES, indien uw leerling eens, tusschen al z'n guitenstukken in, de Atheensche begrooting had vanbuiten geleerd—'t is niet zoo heel gewaagd, hiervan de mogelykheid te veronderstellen —zoudt ge hem dàn uw stem hebben gegeven? Zou dàt 'n reden hebben opgeleverd, om z'n specialiteit aantenemen als behoorlyk gestaafd?

Och, SOKRATES antwoordt niet. Het is onaangenaam spreken met menschen die dood zijn. Maar by-gebreke aan zyn antwoord, vraag ik den lezer, of liever—om niet andermaal vergeefs te vragen—myzelf:

Wat zyn specialiteiten?

Waar behooren ze?

Waar behooren ze niet?

En ik—in weerwil der bemoeienis van «welwillende vrienden» nog steeds niet geheel-en-al dood—zal antwoorden zoo goed ik kan.

II.

Wie 't goede wil, en daarom 't kwade bestrydt, vergist zich vaak—zooals andere geneesheeren—in de keuze der middelen. Ik vrees dat het vorig hoofdstuk niet goed geschreven is. Sommigen zullen 't geestig vinden, en by dezulken heb ik m'n doel gemist, wyl dan de aandacht werd afgeleid van de bestreden kwaal, om die overtebrengen op de eigenaardigheid van den geneesheer. Niet dáártoe meldt zich 'n arts by den zieke. En wie m'n betoog niet geestig vindt, heeft nog meer reden om de strekking daarvan te versmaden. Waartoe ik my dan ook by dezulken vriendelyk aanbeveel.

Indien ik my inderdaad vergist heb in de medikatie … men vergeve het my. Evenzeer als m'n vriend AUGUSTE, de advokaat-likdoornsnyder, ben ik 'n voorstander van emollients. Maar na zóó dikwyls m'n krachten vruchteloos beproefd te hebben aan 't uitroeien der frazenziekte, was ik eindelyk wel genoodzaakt m'n geluk te beproeven met cautéres van spot. Ik verzeker den lezer, dat ik bedroefd ben over de hardnekkigheid van de kwaal. Ingemoede tracht ik met gezond verstand te dienen. De Rede is m'n godin.

Waar ik haar zie miskennen, bloedt my het hart.

Niets natuurlyker alzoo, dan dat ik alles haat wat tot die miskenning aanleiding geeft, of daartoe meewerkt.

Onder de bondgenooten van redelooze Ongodsdienstigheid vinden we steeds in de voorste gelederen: fraze, spreekwoord, zegswys, manier van spreken, dicton, citaat, zaag en deun … altemaal adjudanten van den leugen-duivel, misbruik van het Woord—van den Logos—zonden tegen den H. Geest der Waarheid, Godslastering.

Het eerste woord waarmee de eerste misdadiger den eersten doodslag trachtte te vergoelyken, was … 'n praatje.

—Ben ik myns broeders hoeder? vroeg KAÏN.

—Neen (had het zonderling spook kunnen antwoorden, dat in sommige gedeelten van den bybel—volstrekt niet overal!—voor «God» wordt uitgegeven) neen, maar die ambteloosheid gaf je geen recht dien broeder doodteslaan.

of:

—Niet dáárover loopt onze kwestie. De bedoeling van m'n vraag is, òf je hem doodsloeg, en met welk recht?

KAÏN gebruikte die zegswyze—hy zal er wel bygevoegd hebben: gelyk de groote dichter zich uitdrukt, of: om 'n oudecht-vaderlandsch spreekwoord te bezigen … dat kleedt 'n fraze!—hy sprak zoo, uit verlegenheid.

Juist. Wie broeders doodstaat, en met Waarheid overhoop ligt, voelt zich verlegen. En 'n fraze is daarvan de korollaire uiting. Waar we dus frazen ontmoeten, ligt ergens een vermoorde broeder in 't kreupelhout.

En daarom zal men my vergeven dat ik naar helschen steen gryp om «praatjes» uittebranden. «God» deed het ook in die cause sélèbre. Hy maakte korte metten met den praatjesmakenden moordenaar, en smeet hem zonder veel vorm van proces 't paradys uit. Bien jugè!

* * * * *

Toen ik zoo-even de uitdrukking: huurfraze ontdekte, was ik zoo vergenoegd dat ik al m'n vrienden 'n driedaagsche champagneparty gegeven heb. Nog niet geheel bekomen van den roes dien ik me by zulke gelegenheden tot 'n gewoonte heb gemaakt, hoop ik in dit hoofdstuk alle geestigheid te vermyden, en de vraag: wat zyn specialiteiten? zoo burgerlyk-ordinair te behandelen, dat daaruit by geen mogelykheid 'n nieuwe champagneparty zal kunnen voortkomen. Dit vooruitzicht is my te aangenamer omdat ik eigenlyk geen wyn lust, en vooral niet het extrakt van rottekruid dat velen zich opdringen—alsof 't 'n zaagcitaat ware!—zoo byzonder lekker te vinden.

M'n vreugde over 't woord huurfraze vindt haar grond in de hoop dat dit woord zelf tot fraze zal verheven worden, en dat nog na veel eeuwen deze of gene woordenkramer zal worden doodgeslagen met 'n verpletterend: «je redeneering rydt op huurknollen … gelyk de groote MULTATULI zoo wèl gezegd heeft.» Similia similibus!

Van m'n onsterfelykheid ben ik zeker. Ik heb te veel gezegd dat tot zaag kan omgeknoeid worden, om niet heel stevig in leven te blyven na m'n dood. Ik schaam my als ik bedenk hoevelen er gereed staan de skeletten van m'n arme statiepaarden, averechts opgetuigd voor hun huurkarretjes te spannen. Iets eerlyker dan PYTHAGORAS waarschuwde ik reeds voorlang tegen 't vervloekte autosephae … óók 'n fraze!

* * * * *

Specialiteiten zyn … byzondere dingen. Nu weet ge 't.

Generaliteiten zyn … algemeene dingen. Dàt weet ge nu ook.

Wanneer men 't laatste van die beide woorden toepast op personen, dan zou men het allergevoeglykst kunnen toelichten door de omschryving: 'n generaliteit is de zoodanige die van alles—of van niemendal—verstand heeft. Iemand die tot alles bekwaam is, of tot niemendal.

Dat deze definitie even volledig en juist, als bondig is, valt in 't oog door vergelyking met het woord generaal: een militair die alle vyanden—of geen enkele vyand—doodslaat, in tegenstelling van den soldaat die zeer speciaal slechts op 'n enkelen tegenstander aanlegt, en dien enkelen maar zelden raakt.

Na deze zoo nauwkeurige en stipte ontleding van den zin dien wy aan 't woord generaliteit behooren te hechten—ik vermeed het heenwyzen naar species en genus, om m'n pedanterie te verbergen—zyn we nu voorbereid tot het wèl vatten van de beteekenis der uitdrukking die als uithangbord boven dit vertoogjen in zoo passend gezelschap geplaatst is. Een opschrift alzoo: on its right place.

Een specialiteit is …

Lieve lezer, ik weet het waarachtig niet!

Zou ook dàt woord misschien 'n deun zyn, de basnoot waarop armoed aan denkvermogen 't maseurige wysje doedelt van den right man?

* * * * *

Na de duidelyke uiteenzetting van de beteekenis die we aan 't woord specialiteit moeten hechten, behandelen wy nu—ik hoop even afdoende—de vraag waar zoo'n specialiteit behoort geplaatst te worden?

Wel … niets eenvoudiger. On the right place, natuurlyk.

Wie dáármee niet tevreden is …

De bakker by z'n oven, de smid voor z'n vuur, de kat achter de kachel, en ROLLET in 't tuchthuis, als 't waar is althans, wat BOILEAU van dien heer zeide.

En waar specialiteiten niet behooren? Allereenvoudigst alweer!
ROLLET op 't kussen, enz. enz.

* * * * *

Het doet me waarlyk genoegen de verhandeling in drie deelen zoo goed en kort te hebben afgedaan. Ik gunde me ditmaal den tyd niet, den lezer te vervelen. Daar echter m'n blaadje nog niet vol is, vraag ik 't woord voor 'n klein verhaal. Misschien stelt het den lezer eenigszins schadeloos voor de lankdradigheid van de verhandeling.

Aan 'n table-d'hôte in den Haag, sprak ik. Dit moet vermeld worden als 'n uitzondering, dewyl anders gewoonlyk myn specialiteit in zwygen bestaat. Maar 'n zeer byzondere reden drong my … och, ik zeg niet gaarne waarom ik deel nam aan de konversatie.

Er was spraak van handel, winkeliers-smart, kramers-humbug, koopmanstrouw en verdere Nederlandsche volkomenheden. Ik had 'n paar bydragen geleverd, doch met weinig succes. Men vond ze niet pikant. 't Is dus met schroom dat ik die nu herhaal, maar ze kunnen by 't afspinnen van m'n vertelling niet gemist worden.

Ik verhaalde dan hoe 'n gefortuneerd jong-mens middel had weten te vinden om 'n zoogenaamd arbeiders-horloge van koper, voor honderd gulden te verkoopen aan 'n «vriend» die 't ding slechts uit de verte gezien had. De handige verkooper had zorggedragen zich te onthouden van de verzekering dat het van goud was, en op 't schertsend bod van den ander, die meende met 'n tamelyk kostbaar werk te doen te hebben, driemaal gevraagd: meen je 't?

—Ja, ja, ja, was er geantwoord, ik meen het!

—Daar heb je 't dan! werd er gezegd en ernstig volgehouden door den ander, tot de betaling inkluis.

Hierin lag nu de pointe van m'n vertelling niet. Maar ik meende die te leggen in 't vervolg van de historie. Een «zeer geacht» groothandelaar, scheepsreeder, diaken, enz. wien ik vroeger dat voorvalletje meedeelde, had me geantwoord: «hoor eens, daarin moet ik je nu tegenspreken. Hy had driemaal gewaarschuwd, en niet gezegd dat het van goud was. De ander had niet zoo onvoorzichtig moeten zyn … je begrypt … in den handel … neen, ditmaal ben ik 't niet met je eens … driemaal gewaarschuwd … wat wil je nog meer?

Ik had staat-gemaakt op wat verontwaardiging. Maar m'n table-d'hôte- gezelschap scheen voor 'n goed deel uit groothandelaars, scheepsreeders en kerkvoogden te bestaan. Niemand zei: hè!

Nu, 't gebeurt wel meer dat 'n vertelling dóórvalt. Ik moest me schikken.

Doch dit verklaarde niet waarom 'n heer die schuins tegenover me zat, my zoo vreeselyk boos aankeek. Ik kende hem niet, en pynigde m'n geheugen te-vergeefs met de vraag of ik dien man ooit kon beleedigd hebben? De table-d'hôte was zeer goed, ruim voorzien …

Ik moet er dit by zeggen, om te voorkomen dat men dien zuurkyker verdenke van spysnyd, of my van indiskretie in 't ledigen der schotels. Het stuk speelt in den goeden Toelast, waar de voorraad van gerechten waarlyk tegen grooter onbescheidenheid bestand is, dan ik noodig heb me te veroorlooven.

De man keek zuur, en was deftig.

Het uitvaren tegen witte dassen is wat zagerig geworden, en 't spyt me dus veroordeeld te zyn tot geschiedschryver der verblindende kleurloosheid van z'n keelbedervend halsgewaad. In 's hemelsnaam … dat is nu eenmaal zoo. En ook overigens zat de man vol witte dassen. Z'n zwarte rok was 'n witte das. Z'n welgedaan zachtblozend gelaat was 'n witte das. Z'n embonpoint was 'n witte das. En z'n zuurkyken … 'n luiermand vol witte dassen!

Na den diepen val van m'n vertelling, oogstte een commis voyageur grooten byval met oneindige «hé!» 's in, over 'n verhaal dat met 'n «mooien slag in de amerikanen» eindigde.

M'n tweede neerlaag liet zich niet lang wachten. Ik verhaalde hoe 'n eerlyk man te … Groningen gebukt ging onder gewetenswroeging, omdat hy—door fielten meegesleept in «handelszaken»—zich 'n tyd lang …

l'occasion, la faim, l'herbe tendre, Et quelque diable aussi le poussant

Och, m'n goeie beste LAFONTAINE, die diable had best achterwege kunnen blyven! Honger, gelegenheid en … essenbladen zyn ruim voldoende om 'n afgetobden gebreklyder op 'n dwaalspoor te helpen. De man had meegedaan in 't maken van thee die in Gelderland langs de wegen groeit. En hy leed onder 't besef van die fout …

Ga heen in vrede, roep ik hem by dezen toe, en maak geen valsche thee meer. Uw zonden zyn u vergeven. Ik weet wat gy gedragen hebt. Èn daarover, èn omdat ge overigens uw geheel moeilijk leven offerdet aan de waarheid!

Maar niet dàt vertelde ik aan m'n table-d'hôters. De tot 'n rampzalig einde veroordeelde pointe van m'n verhaal kwam hierop neer, dat ik—natuurlyk zonder namen te noemen—iets over die Geldersche- theekultuur gezegd had aan … 'n industrieel die allerliberaalst was. De man had me—daar gaat de pointe!—ouwerwetsch en dom gevonden, en geantwoord «dat zulke dingen overal gebeurden, en dat hyzelf 'n fabriek had van koffiboonen.»

De gasten praatten dóór alsof ik niets interessants gezegd had. De witte dassen bleven zuurkyken.

M'n ouderling—hy was dit inderdaad—scheen verstand van wyn te hebben. Gedurig hield hij z'n glas tegen 't licht, en doorboorde het met kennersblikken. Hy dronk echter zeer weinig, waaruit ik opmaakte dat de wyn niet deugde. Ik bedroog me. Hy verzekerde z'n buurman die hem daarnaar vroeg, dat de wyn uitstekend was. Maar … zonderling, hy zei dit op ontevreden toon, en als iemand die 'n onaangename waarheid verkondigt.

Met bliksemsnelheid nam ik die byzonderheid aan als opheldering van z'n zuurkyken. De wyn is goed, hy is er boos om. My ziet-i boos aan, dus is hy goed op me … zóó zal 't wezen!

Weer mis! Hy was me volstrekt niet welgezind. Integendeel. Z'n heele linnenkast was hevig op me verstoord. Dit bleek uit de wys waarop hy 't zoutvat niet zien wilde, dat ik hem toeschoof toen hy dit scheen te zoeken. Hy wou van my en m'n zout niet gediend zyn, en voorzag zich elders, uittartend-duidelyk met opzet.

Twee pointes in 't water, zout versmaad … och, 't was zoo bitter!

—Wie is toch die … heer, vroeg ik aan iemand naast me. «Man» durfde ik niet zeggen, om de witte dassen.

En er werd my 'n naam genoemd, dien ik kende.

—Dat is 'n vrome familie, zei ik.

—Zeker! En hyzelf is vooral niet minder vroom dan de rest. Hy is …

—Ouderling, wil ik wedden.

—Geraden! En hy is boos op je, omdat je … nu dan, omdat je 'n «vrydenker» bent.

't Was zoo! De witte dassen gloeiden van heiligen toorn «omdat ik den CHRISTUS smaade, versmaadde» enz. Hy zou liever sterven dan een myner werken lezen, en had z'n kinderen verboden m'n naam te noemen, of zelfs van me te droomen. Hoe ik dit later zoo precies te weten kwam, doet nu niets ter zake. Ik begreep eenigszins hoe laag hy op my moest neerzien, en op al de fameuze werken die hy uit afschuw niet gelezen had.

—Ouderling alzoo? Gut, ik dacht dat-i nog meer was dan dat. Z'n heele voorkomen kan dominee wezen.

—O neen! Van beroep is hy fabrikant …

Weer doorboorden de blikken van den christelyken zuurkyker z'n wynglas. Ontevredenheid met den wyn—die goed was, had-i gezegd—lag op z'n wezen.

Zou die wyn ook den CHRISTUS gesmaad hebben? dacht ik.

—Ah zoo … fabrikant! En wat fabriceert de man?

—Hy is 'n specialiteit …

Genade ditmaal voor m'n pointe, lezer! Een derde nederlaag overleef ik niet!

—Hy is specialiteit in wynvervalschingsmiddelen!

* * * * *

Gy die zweert bij 't prachtige right men on right places, eilieve, waar plaatst ge:

m'n horlogeverkooper?

m'n scheepsreeder-groothandelaar?

m'n liberalen koffiboonenfabrikant?

m'n godvreezenden ouderling-wynvervalscher?

* * * * *

Nog altyd zit de kat achter de kachel, en spint. Het beest is op z'n plaats.

De bakker staat voor z'n oven, en bakt. De man is op z'n plaats.

De zon schuilt achter mist en nevel. En al verwarmt ze niemendal … ze staat op haar plaats.

Vuurpook en tang leunen tevreden tegen hun standertje, de kolen liggen rustig in den bak, de asch valt melancholisch door den rooster, de sneeuw op het dak wacht met geduld den tyd van smelten … all things on their right places

Maar de eerlyke JACOB DE VLETTER zit in het tuchthuis.

En heel veel boeven, die daar wezen moesten, zitten er nog altyd niet.

En DUYMAER VAN TWIST zit in de Eerste-Kamer, en vertegenwoordigt daar 'n brok van 't Nederlandsche Volk, en praat mee over Recht, Menschelykheid, Staatkunde, Indische belangen

En CHRESOS schrijft vertellingen over witte dassen, voor 't publiek van Nederland.

* * * * *

Met uw verlof … staat ook dit hoofdstuk wel op the right place?

Wel zeker! 't Is 'n brandmerk, en hoort van rechtswege thuis in een Ietsjen over SPECIALITEITEN.

III.

Komaan, vertel ons nu eens zonder scherts wat 'n specialiteit is?

Ik schertste niet, en zàl dit ook niet doen. 't Onderwerp is er te treurig toe. Een specialiteit is 'n zoodanige die levenslang veel dingen verwaarloosd heeft, om den prys der middelmatigheid te behalen in den wedloop der beoefenaars van 'n bepaald vak. Een specialiteit is iemand die door zich blind te staren op één punt, het recht meent te hebben byziende te wezen voor wat anders, of zich zoo voortedoen Een specialiteit …

En weer verander ik van medikatie. Hebt ge wel eens zien straatvegen?

—Niet zoo vaak als ik in 't belang der zindelykheid wenschen zou.
Maar toch nu-en-dan.

Voelde je niet soms den lust in u opkomen, zoo'n hem of haar den bezem uit de hand te rukken, en eens te wyzen, hoe men behoort te vegen?

—Dikwyls.

Veegden alzoo, naar 't ideaal dat gy u schept van straatvegen, die mensen goed?

—Met de hand op 't hart, by m'n ziel en zaligheid, op eer en geweten, in tegenwoordigheid van goden en mensen … neen!

Zeer wel. Dit gekonstateerd zynde, vraag ik u of ge zoo'n straatveger in-staat oordeelt u 'n rechtskundig advies te geven, uw kinderen van kinkhoest te genezen, de schulden van den Staat te delgen, boekdrukkunsten uittevinden, Amerika's te ontdekken, enz. enz.?

—Met hand, hart, ziel, enz … alles als-voren: neen!

Welnu, zoo'n veger die niet vegen kan, en geen ander vak verstaat dan niet te kunnen vegen, is 'n specialiteit.

* * * * *

We zyn dom, klein en koppig. Waarachtig, lezer, we zyn koppig, dom en klein. Wees nu eens niet te klein, te koppig en te dom, om dit toetestemmen. We weten weinig. We kennen weinig. We kunnen weinig. En we willen ons voordoen alsof wy iets wisten, kenden en konden. Telkens komt het voor, dat de omstandigheden deze of gene hoedanigheid in ons vereischen zouden. Telkens schieten wy te-kort in 't leveren van wat wy eigenlyk moesten kunnen leveren. Dan zyn we beschaamd over deze domheid, onmacht en onnoozelheid, te klein om edele wraak te nemen door verheffende inspanning, te hoofdig om dat alles te erkennen, en:

—Och … ik ben eigenlyk straatveger, zeggen ze dan. Dàt is m'n vak, m'n roeping. Dààrin munt ik uit. Dààrin zoek ik myn meester …

Die ligt te vinden is, dat zagen we! Want ze vegen slecht, de specialiteiten die den «marmottenwinter van hun vakje gebruiken als voorwendsel om niets te weten van wat daarbuiten omgaat.» Nu straatvegen doen ze juist allen niet. Waarachtig niet! En dit is van sommigen jammer genoeg.

—Van «Rechten» heb ik geen verstand, roept de een, ik ben genie- officier, architekt, artist, arbeidsman, pruikenmaker …

Heel wel. Ge zyt er niet minder om. Maar verschuil u niet achter die specialiteit, om by voorkomende gelegenheid niet te weten wat Recht is.

—Ik ben jurist, verzekert 'n ander. Ik slaap, leef en sterf met codices en de H. Boeken van 't corpus juris, nec non met 'n beetje toevoegsel van hedendaagsche parlementery.

Best, opperbest! Maar meen niet dat die specialiteit u vrystelt van eerbied voor gezond verstand.

—Ik «ben» in koffi, reedery, assurantie. Ik «doe» in vetwaren, kurken, vleeschextrakt, oesters, eau-de-cologne …

«Wees» en blyf in augurken, als ge verkiest. Maar eilieve, gedraag u niet, alsof gyzelf 'n komkommer waart, wanneer er gesproken wordt van andere dingen dan «waarin ge zyt.» «Doe» in wat ge wilt, maar toon dat ge ook iets doen kunt, als het te pas komt. Koop en verkoop oesters … goed! Maar kruip niet zelf in 'n schulp, zoodra er behoefte is aan eigenschappen die uw broodwinning niet raken. Dat opgaan in de specialiteit van 'n vak, van één vak, is dom schandelijk en nadeelig. Één is dikwijls géén, in dit geval.

—Dit alles belet niet dat de man die levenslang brood bakte, waarschynlyk beter brood leveren zal dan iemand die nooit gebakken heeft.

Ja en neen. Gewoonte maakt wel handig, maar niet altyd bekwaam. Er kan bovendien verschil van gevoelen bestaan over de vraag welk brood goed is? Wat de een goed noemt, kan den ander middelmatig of slecht voorkomen. Meen niet dat deze opmerking …

O, bitter wreed vermoeden dat ik me hier op den hals haal! Zullen niet sommigen meenen dat deze bedenking 'n advokatige scheenworp is, een pleiterig vulsel dat by elke gelegenheid heel oppassend kan worden te-pas gebracht, 'n … scie? 't Woord is er uit.

Neen, ik moet en ik wil werkelyk zeggen dat het oordeel over de deugdelykheid van brood zeer verschillend is. Naar mijn meening—waarin ik by-uitzondering 1497 millioen min één, smaakverwanten heb—is 't Hollandsche brood over 't algemeen zeer slecht, en wèl geproefd: geen brood. Op weinig uitzonderingen na, komt het iemand die geen byzonderen eerbied voelt voor de levenslankheid der bakkers, waarop gy u beroept, oneetbaar voor. De Franschen die men 't voorzet, noemen het, als ze zich beleefd willen aanstellen, gâteau, en vragen wat anders. Ook ik vraag wat anders, en noem het, onbeleefd, half-gaargebakken watten met kryt, koper, aluin, geile melk, vitriool en oudsche eieren. Niets bewyst echter dat de Franschen, ik, en de overige 1497 millioen mensen die geen Hollandsen brood lusten, gelyk hebben. De mogelykheid bestaat dat 'n hemelsche jury, by 'n algemeene Paryzer heelal-tentoonstelling van vierduitsbroodjes, aan onze bakkers de gouden medaille zou toekennen. Maar … zoolang die jury zoodanige uitspraak niet gedaan heeft, is 't niet zeker, en zelfs niet waarschynlyk dat de Hollandsche bakkers goed gebakken hebben, in weerwil hunner altyd doorbakkende levenslankheid. Ook de Fransche bakker is specialiteit. Ook hy bakte gisteren reeds, verleden week, voor jaren, van kindsbeen af. En hy beweert dat 'n Hollandsche broodmaker de zaak niet verstaat.

Ik had in 1850, 51 nog geen bakken geleerd. De admiraal JURIEN DE GRAVIÈRE … ach, hy kommandeert als zoetwaterzeeman, op dit oogenblik (Voorjaar 1871) de flotille «du parti de l'ordre» op de Seine! Wie had gedacht dat hy zoo laag vallen zou, de achtenswaardige kommandant van de Bayonnaise, die me leeren wilde hoe men goed brood bakt!

Van hem namelyk heb ik 't woord gâteau, dat ik zoo-even aanhaalde.

Na veel vruchtelooze pogingen van m'n kok om dien hoofdofficier iets voortezetten dat hy als brood gebruiken kon, noodigde deze my aan boord van z'n korvet, niet aan z'n tafel ditmaal, maar in de kombuis. Daar toonde hy my hoe men vochtig meel deed verzuren door wat warmte met geduld. En dat men geen byvoegsel van gist noodig had. En hoe telkens een gespaard deel van 't gebruikte deeg, morgen oud geworden, het nieuwe zou doorzuren en doen «ryzen» in weinig tyds, zonder daaraan den vuilen bysmaak te geven waarop de Hollanders zoo gesteld schynen. En hoe brood—«du pain, m'sieur DEKÈRR, du pain, ce qu'on peut nommer du pain!»—hoe brood alleen moet bestaan uit gaar meel, zonder meer. Zonder aluin, zonder kryt, zonder suiker, zonder melk, zonder eieren, zonder koper en vitriool, zonder vuiligheid, zonder vergif.

Ik erken dat ik op dit oogenblik met de handen verkeerd zou staan, en dat ik me waarschynlyk eenige vergeefsche proeven zou moeten getroosten, waar ik in-staat ware brood te leveren dat volgens het oordeel van verreweg 't grootste deel onzer medemensen, beter voldoet aan de eischen die men aan brood stellen mag, dan dat onzer levenslange Hollandsche bakkers. Ik heb er de hand niet aan gehouden, en de juiste methode is my ontgaan.

En … wonder is 't niet! Ik deed zooveel andere dingen sedert 1850! Daar ligt zoovéél tusschen die kombuis van de Bayonnaise en deze verhandeling! Zooveel arbeids! Zooveel vermoeienis! Zooveel teleurstelling! Zooveel onbekroond streven! Zooveel smart!

En wat al slecht gebakken brood at ik sedert dien tyd!

En hoe bitter was 't meestal, ook zonder misselyk gesuikerd te zyn!

En hoe vaak rees de gedachte in my op: als ik eens, om brood te hebben, mezelf maakte tot zoo'n levenslange bakker?

Maar er is niets van gekomen. Gedurig had ik wat anders te doen. Op dit oogenblik, by-voorbeeld, moet ik voortgaan met m'n stuk over Specialiteiten.

* * * * *

Het is alzoo niet uitgemaakt dat iemand die zich aan 'n bepaald vak wydt, in dat bepaald vak iets beters levert, dan te verwachten is van anderen, van niet-specialiteiten. Er bestaan zelfs gegevens die zouden doen besluiten tot het tegendeel, of—om korrekt te redeneeren —gegevens die het tegendeel mogelyk, en zelfs waarschynlyk maken.

Een bakker—de scherpzinnige lezer zal wel de goedheid hebben de bakkery overtezetten in den algemeen-maatschappelyken toonsleutel die op m'n kompozitie past—'n bakker die onder kryt, aluin, eieren, melk, gist, koper, vitriool en bedorven klanten is opgegroeid, heeft, juist tengevolge van z'n levenslankheid, meer moeite zich te ontdoen van al deze ingegroeide dingen, dan de onschuldige die—als ik in de kombuis van de Bayonnaise—nuchter is van alle verkeerde kennis der zaak. Zoo'n bakker is …

—Wat al divagatien!

Ge vergist u. Ik divageer niet. En 't bewys? Zoo'n bakker is 'n specialiteit.

* * * * *

En nu lezer—tenzy gyzelf behoort tot de specialiteit van de velen die niet lezen kunnen—transponeer!

Ach, er wordt zooveel slecht voedsel geleverd uit heel andere bakkeryen, dan waar die gesofistikeerde miniatuur-lendekussentjes als brood worden uitgevent!

Specialiteit van rechtkennis … bedorven melk!

Specialiteit van staatsmanswysheid … taaie watten!

Specialiteit van broederliefde, mensenmin, vrede op aarde met obligaat-welbehagen, roode kruizen, filantropie, dierenbescherming, neger-wintersokjes, Javaannut-maatschappyen, weldadigheidskommissien … sterke boter!

En, by al die specialiteiten, de zeer speciale specialiteit der frazen … vuile eieren!

Alles saamgenomen! vergif!

Ik ben terdeeg aan 't komponeeren. Zie eens hoe quite right ik al die stinkende dingen on their right places heb gezet, om de oneetbaarheid van de broodjes te betoogen, waarop de maatschappy zich maagbedervend het gebit slee kauwt.

Ik hoop lezers te treffen die me hier verwyten dat ik onrechtvaardig ben. 't Zou me aangenaam zyn aanleiding te vinden tot dupliek op de beschuldiging:

—Ge kunt niet wáár zyn, dat ge allen over één kam scheert.

De opmerking is onjuist, maar welgemeend. Wie naar waarheid zoekt, mag en moet zoo spreken. Welnu, ik veroordeel niet allen. Ik sprak ditmaal niet van personen. M'n uitval geldt noch rechter, noch pruikenmaker, noch jurist, noch minister, noch preeker, noch dierenbeschermster, noch sokjesbreister, noch Schlachtenbummler, noch zelfs die onzalige broodbakkers … in één woord: niemand persoonlyk.

Ik maakte me driftig tegen de domme afgodery met het begrip: specialiteit, in 't algemeen. Dàt is het onkruidje …

We zullen te-zamen voortwieden in 'n volgend hoofdstuk. En dan geen woord meer over bakkers.

IV.

Een vertelling.

—'t Wordt tyd dat onze FRITS 'n beroep kiest, zei m'nheer Van … 't EEN-OF-ANDER tot z'n echtgenoot. Om 't geld is 't ons goddank niet te doen, maar toch …

En m'nheer Van … 't EEN-OF-ANDER streelde z'n buik.

In deze hartelykheid jegens zichzelf, lag iets als bevestiging van z'n innige overtuiging dat het hem goddank om 't geld niet te doen was, en tevens 'n voorspellende bezwering dat het ook z'n veelgeliefden FRITS goddank nooit zou te-doen zyn om 't geld. Mevrouw van 'T EEN-OF-ANDER was het—zonder de minste indecentie in gebaren, dit moet ik tot haar eer verzekeren—volkomen met m'nheer haar gemaal eens. FRITS zou 'n beroep kiezen. Want:

—Een mens moet toch iets wezen in de wereld.

—Zoo had m'nheer VAN 'T EEN-OF-ANDER gezegd.

Het is den lezer bekend hoe geleidelyk ik gewoon ben m'n vertellingen af te vertellen. Nooit 'n zysprong. Nooit 'n byweg. Nooit 'n uitweiding.

Zie eens dien CERVANTES in z'n Don Quichot … 'n boek dat ik liever zou wenschen geschreven hebben dan den Faust! Ik, in m'n hoedanigheid van schryf specialiteit—ik moet toch «iets» zijn, niet waar?—ik verzeker u, lezer, met verwyzing naar m'n IDEE 30, dat de Don Quichot meer ziel gekost heeft dan GÖTHE ooit bezat. Wat hy gespleten, en gebersten moet geweest zyn, de vertrapte graankorl CERVANTES, om dat boek te schryven, een der treurigste gedenkstukken van wat 'n mens lyden kan!

Dit wist ge niet, lezer! Ge meende—van den weg gebracht door de specialiteit die men school noemt, dat het 'n grappig werk was? Gy, zelf tranenlachend om zooveel koddigheid, hebt de tranen van smart niet gezien, die er druipen van dat boek. Misschien zal ik u die later eens aanwyzen.

Arme levenslange martelaar CERVANTES, gij de byna eenige schryver voor wien ik byna eerbied heb!

En daarby behoort … m'n vonnis dat uw schryvery, als zóódanig, hier-en-daar beneden 't nulpunt staat. Wat drommel hebben wy te maken met al die malle vertellingen van herders en herderinnen, van liefdegekken en gekke liefden, waarnaar ge telkens uw held laat luisteren op z'n doornigen weg ter kruiziging?

Zóóveel voor 't vel?

Arme arme lieve CERVANTES. De tranen die uw boek bevlekken, zyn er niet minder kostbaar om. Integendeel!

—Ah, zegt de lezer die hier gevatter wil zijn dan hem past, het afbreken van de jonker-FRITSgeschiedenis heeft dus ten doel …

De kat die nog altyd achter de kachel zit on her right placeallons, Roletten en Van Twisten, neemt er 'n voorbeeld aan! —de kat is m'n getuige dat m'n pen krast als 'n raaf. Dat ik voortschryf met de snelheid van twintig knoopen in de sekonde. Sneller, sneller, ik schrijf als de bliksem, 't papier siddert, de inkt spat … vooruit … vooruit! Wat al letters noodig om dat woord te spellen, wat al woorden om dien zin te ronden … geen tyd, geen tyd … vooruit! De gedachten dringen my, stuwen my, overstelpen my. Er woelen en tournooien meer Don Quichotten in m'n hoofd, dan ooit werden afgeranseld door 'n onridderlyke wereld.

Waarachtig, ik heb geen uitweiding noodig om m'n blaadjes te vullen!

En—praktisch-overtuigend, naar ik hoop!—indien dit het geval ware, zou ik me wel wachten m'n fabriekmerk te bederven door u zoo'n denkbeeld in 't hoofd te zetten. Waar ik uitweid, doe ik dit omdat het me lust. Eenvoudiger reden zal er wel niet kunnen bestaan. Maar ik wyk niet af van m'n onderwerp, al schynt het zoo. Er is nauw verband tusschen m'n sympathie met den lyder van den Don Quichot—«schryver» noemen ze dat!—en deze filippika tegen specialiteiten. Ook my zal men hier-en-daar koddig vinden …

Bovendien, de verhandeling die nu volgt over de aller-scherpste kausticiteit van den baron 'T EEN-OF-ANDER, behoort integraal:

  tot de geschiedenis van jonker FRITS,
  tot de geschiedenis van 't parlementarismus,
   tot de geschiedenis van onze eeuw,
   tot de geschiedenis van zaagdeuntjes,
   tot de geschiedenis van den Baäls-dienst der
SPECIALITEITEN.

tot alle mogelyke geschiedenissen alzoo …

«Vermaakt er u mee» gelyk de groote kinderdichter HIERONYMUS VAN
ALPHEN, enz.

* * * * *

De baron van 'T EEN-OF-ANDER ging by buren, vrienden, magen, huis- stad-land-provincie-stand-en geloofsgenooten, voor 'n goed mens door. En ook hyzelf hield zich daarvoor. Maar hy werd door zichzelf en anderen miskend. De man was meer dan 'n goed mens. Hy was 'n diepdenkend wysgeer. Een ware Amerikaansche padvinder in de geheimenissen van het Zyn. Hy was 'n speurhond, 'n jagtvalk, 'n fret op de jacht naar waarheid. En wat-i vond, wist hy geestig te uiten. CERVANTES was niets by hem. Zelfs ik niet.

En—dit verheft hem nòg hooger, indien er hooger standpunt denkbaar is—hy was zoo fondamenteel-ingekankerd nederig, zoo evangelisch- kinderlyk onnoozel, dat de rechterhand van z'n oordeel niet wist welke paarlen de linkerhand van z'n welsprekendheid te-grabbel gooide. Als gy en ik, lezer, zeggen dat we onszelf als dom of onwetend beschouwen, houden we ons maar zoo. We beweren, eigenlyk op den keper beschouwd, heel intelligent te wezen. Ik noem dus zoo'n voorgeven maar nederigheid aan den buitenkant. Maar onze baron was inderdaad even sterk overtuigd van z'n intellektueele onwaarde, als anderen van de fatsoenlyke noodzakelykheid om zich nederig voortedoen.

Lang leve dus de baron 'T EEN-OF-ANDER.

Maar, nogeens, hy werd miskend. Indien gy me nu al hierin op m'n woord gelooft, lezer, zult ge toch zeker verwonderd zyn te vernemen dat onder al die miskenners iemand is die u van naby bestaat, of dien ge, volgens het opschrift van den Delfi-tempel—ook al tot deun verlaagd! —iemand dien 't uw plicht was van zeer naby te kennen. Ik bedoel uzelf, lezer. Gy, gy, gaaft onzen baron van 't E.O.A. niet wat hem toekomt. En ook omtrent my hebt ge misdreven. Ik stelde u goedmoedig in-staat den man te beoordeelen, te vereeren, te aanbidden, en ge gaat voorby alsof er niets geschied ware! Ik zal me moeten getroosten de geschiedenis van jonker FRITS nogeens te vertellen, in de hoop dat ge ditmaal wat minder … lieve hemel, hoe moet ik zeggen om niet bybelsch- onbeleefd te zyn? Ik bedoel dat ge 't parelsnoer in eere houdt, dat ik u—'t is 'n geschenk van den baron—zoo edelmoedig toewierp.

Ik sla nu den buik over. Ook 't geld «waarom 't goddank niet te doen is.» En we stappen rechtstreeks toe op de schatkamer der wysheid …

Zie, gierig is-i niet. Daar geeft hy ons dezelfde kostbaarheid nogeens:

—Een mens moet toch iets zyn, hooren we hem andermaal zeggen.

Eigenlyk is m'n geschiedenis van jonker FRITS hier uit. Of althans ik behoefde, wèl beschouwd, niet voorttegaan die te schryven. Want, òf de lezer valt flauw van bewondering voor 't genie dat ik sprekend invoerde, òf hy valt niet flauw, en is dan niet waardig de schoenen van den flauw-gevallen lezer te poetsen, laat staan 't slot van deze vertelling te vernemen.

Ik schryf dus nu 'n tijdje voort, voor m'n eigen liefhebbery.

—Juist, edele man, juist! De mens moet, om niet niets te zyn, iets wezen! En gyzelf?

—Dykgraaf, lid van …

—Precies! Lid van … een-en-ander. Baron van … 'T EEN-OF-ANDER. Welnu, ik heb u—de eene helft van m'n lezers ligt in zwym, 't is uw schuld, verheven wreedaard! De andere helft is bezig met geen schoenen te mogen poetsen—ik heb u, dykgraaf, baron, en lid van … een-en-ander …

—Ook van 't Bybelgenootschap …

—Ook van 't bybelgenootschap! Ik heb u … een-en-ander te zeggen. Ik groet u met den naam van … een-of-ander.

—Niet waar, 'n mens moet iets zyn?

—Heel juist! En niet alleen iets, maar zelfs … een-en-ander.

Ge zyt dus … Dykgraaf? Ge zyt lid …

—Van een-en-ander. En van 't Zendelinggenootschap! En van de Schoolkommissie! En van den Vredebond! En van 't Roode Kruis! En van 't Blauwe! En van …

—Om der liefde wil, overstelp me niet! 't Is om te bezwyken.

—En van de Javaannut-maatschappy!

—Hou op! Het duizelt me. Maak m'n lofzang niet onmogelyk door overkoking van de stof. Ge zyt, om iets te zyn …

—Och, ik beroem er me volstrekt niet op. Reeds m'n papa was regent van 'n oude-mannenhuis. En hy zei altyd dat 'n mens …

—Een mens moet iets wezen. En uwe zalige papa wàs iets.

—Hy was regent van 'n oude-mannenhuis. Ook gewezen oud-garde-noble van koning LOUIS. Want, 'n mens, zoo zeid-i altyd, 'n mens …

—Een mens moet iets zyn. Ik zie het, ge zoogt met moedermelk der vadren wysheid in. Om uwen lof …

—Lieve hemel, ik wist niet …

—Dat ge zoo verdienstelyk waart? Zoo-even vertelde ik reeds een-en-ander …

—Zoo heet ik.

—Ja zoo heet ge, en dat zyt ge! Nu, ik deelde iets over uwe nederigheid aan m'n lezers mee. We zullen haar echter niet ontzien. Ik schroom niet u te zeggen dat ge reeds vóór uw geboorte een groot man waart door de verdienste van uw vader die, om niet niets te zyn, zich garde-noble had laten maken, en regent van een besjes-gesticht …

—Van 'n oude-mannenhuis!

—Van 'n oude-mannetjeshuis! Ge waart voorbeschikt … een-en-ander te zyn. Ge voeldet uw roeping, gy ruimdet alle hindernissen uit den weg, ge verhieft u boven stof en onstof, ge zweefdet en doorvleugeldet …

avi to dvd

—Gut, ik wist niet dat ik zooveel byzonders uitrichtte. Ik ben dykgraaf geworden, en lid van …

—Van een-en-ander!

—Ja, omdat m'n vrouw zei dat het rondslenteren van 'n man in huis, zoo lastig was voor de booien, en dat m'n gekibbel met de tuinknechts 't humeur bederft. Ook heb ik aanleg tot zwaarlyvigheid.

Dit was zoo. We zagen dien buik reeds optreden als getuige tegen de mogelykheid van geldgebrek.

—Ik werd wat dik. En als dykgraaf doe ik nu ééns in de maand 'n toertjen om de zitting van 't kollegie by te wonen. Want ik zeg maar, 'n mens moet …

—Een mens moet iets zyn. Juist daartoe heeft de goede Voorzienigheid ons hoog-water gegeven, om 't mensdom instaat te stellen tot het voortbrengen van dykgraven. Neem 't water weg, geen dyken. Zonder dyken, geen Graven. Zonder Graven … 'n man te veel over den vloer, en gekibbel met de tuinluî. Allah akbar … m'nheer VAN 'T EEN-OF-ANDER, allah akbar! gelyk de groote Profeet zoo wél gezegd heeft, zonder nog iets te weten van dykgraven en hoog-water. Ge moet iets zyn. Gy hebt het gezegd. Niet de waanwyze PYTHAGORAS heeft ditmaal gesproken, maar gy, gy, gy! Wát hebt ge gezegd? De mens moet iets zyn. Hoe hebt ge dat gezegd? Met de daad bewyzende dat ge oprecht waart. Gy wérd iets, dykgraaf en … een-en-ander. Waarom hebt ge 't gezegd? Omdat uw verheven vader lid was in 'n besjeshuis …

—Regent van 'n oude-mannenhuis …

—Regent van 'n ouwe-mannenhuis! In welke omstandigheden hebt ge 't gezegd? Te midden van «booien» dien ge in den weg liep, en kibbelend met 'n tuinknecht. We kunnen nu overgaan tot de schepping der wereld. In Genesis I vers 27, zien we den mens verschynen. Dat was zoo'n groote kunst niet, en wel beschouwd is Adams verdienste in dit opzicht bitter klein. Gy, Adam II, vergenoegdet u niet met de verschyning … ge zaagt in, dat men iets wezen moest, en liet u dykgraaf maken, en lid van … een-en-ander.

—Maar ik wist inderdaad niet …

—Verheven onkunde! Schitterend wanbesef van eigen volkomendheid! Nederigheid in oneindige machtsverheffing! Ge wist het niet? Welnu dan, ik zal u eens al uw verdiensten terdeeg onder 't oog brengen. Ryk was uw vader, en ryk zyt gy …

—Ja, om 't geld is het me goddank niet te-doen.

—Dat hoorden we zoo-even, toen gy uwen buik streeldelt. Ge waart ryk, maar met uw scherpzinnigheid zaagt ge in dat alle boeren achter uw rug u uitmaakten voor 'n stommerik, die geld had … maar ook niets dan dat.

—'t Is waar, er is lomp volk onder die boeren.

—Toch niet, Lomp zouden ze geweest zyn, indien ze u zoo-iets in 't gezicht hadden gezegd. Laat ons voortgaan. Straks zal de eene helft van m'n lezers ontwaken uit z'n flauwte, en dan moet ik u verlaten. Ge hebt gevoeld … eigenlyk … wel beschouwd … van zeer naby bezien … niemendal te wezen! Sjt … sjt … spreek me niet tegen, uit nog verder gedreven nederigheid. Uw scherpzinnigheid en zelfkennis is buiten twyfel en buiten debat. Uw vader in 't besjeshuis …

—Regent van 't oude-mannenhuis.

—Uw vader, de regent van 't ouwe-mannetjeshuis, was in den hemel. Om daar te komen moet men iets zyn. En hy werd toegelaten als gewezen oud-garde-noble van koning LODEWIJK. Ge hoopt uw vader weertezien, en wilt niet beschaamd staan op de vraag: wie klopt daar? Uw adreskaart moest boeren, tuinluî, huisbedienden en hemelwachters eerbied inboezemen. Het besef uwer onwaarde deed uw omzien naar allerlei lidmaatschappen waartoe men nullen gebruiken kan. Uit schaamte over uw nutteloosheid zocht ge naar gelegenheid om iets te schynen. Gy eet, drinkt, slaapt, als 'n beest. Gy geniet en verteert als 'n beest … maar veel meer dan 'n beest. Als 'n rivierpaard scheert ge de oevers kaal, en bracht niets voort …

Ja toch! Hy bracht wel iets voort: FRITS!

FRITS, die sedert het begin myner vertelling 'n knappe jongen van twee-en-twintig jaar is geworden, stapt de kamer in. De lezers, die tot straf van hun botheid geen schoenen mochten poetsen, worden weer ten-gehoore toegelaten. Ook de anderen zyn weer by-de-hand.

In 'n jaar of acht kan veel gebeuren, en zoolang duurde het meegedeeld gesprek.

FRITS was na de vaderlijke ontdekking dat 'n mens iets wezen moet, naar 'n schoolmeester gezonden die de specialiteit beoefende jongens «klaartemaken» voor Medemblik en Breda. Als adelborst had hy niet slechter opgepast dan de anderen, was naar zee gezonden, maakte één reisje naar de Middellandsche zee, één naar de West, één naar Indie, vond daar z'n aanstelling tot luitenant tweede klasse, en was onlangs «thuis-gevaren.»

Hy was by z'n kameraden … «bemind» is 't woord niet, doch daar hy niemand in den weg stond, behoefde niemand zich de moeite te geven hem te haten. Z'n chefs waren over hem tevreden, omdat hy hen nooit door iets buitengewoons lastig-viel met de noodzakelykheid eener byzondere behandeling. Als prachtexemplaar van alleronbeduidendste ordinairheid, was hy juist intelligent genoeg om z'n dienst te doen zooals hy die geleerd had, zonder ooit zich te wagen aan eenig pogen dat hem niet geleerd was. Hy betoonde zich omtrent alles wat niet letterlyk was voorgeschreven, niet onverschilliger dan anderen, zoodat hy zelfs in slordigheid of dienstverzuim zich wist te onthouden van uitstekendheid. Op onderscheiding had hy geen andere aanspraken dan dat-i niet de minste aanspraak maakte op onderscheiding, en tot berisping gaf hy niet meer aanleiding dan noodig was om onschuldig te zyn aan sarrende vlekkeloosheid. Als onnut nummer op den traktementstaat was de goeie jongen zoo onschadelyk als die nutteloosheid maar eenigszins gedoogde, en wie hem 'n «slothout» noemde, zou wèl de waarheid maar niet àl de waarheid gezegd hebben, wanneer-i verzuimd had daarby te voegen: zulke dingen moeten er óók zyn. Kon FRITSJEN 't helpen dat anderen in die behoefte voorzagen, en dat hy dus—ook als zóódanig—wel eenigszins overkompleet was?

In land en volkenkunde bragt onze held het tot den Voyage en Orient van LAMARTINE, om iets te weten te komen van Smirna, toen hy daar voor-anker lag. De oude heer van 't EEN-OF-ANDER was verbaasd over de poëtische kennis, de klassieke belezenheid, en de geleerde poëzie van z'n zoon, die reeds, na slechts één vyg te hebben gegeten, precies wist waar Troje gelegen had en welke indrukken de nabyheid dier plaats in elk rechtgeaard Orient-lezer behoort optewekken. Onze dykgraaf prepareerde z'n kollegaas op 'n verhandeling over den loop van den Simoïs, welks oevers sedert HOMERUS' tyd allermiserabelst bleken verwaarloosd te zyn. Hy was volkomen in-staat, genegen en bevoegd —Specialiteiten vóór!—die zaak tot behoorlyke klaarheid te brengen, want z'n eigen zoon at vygen op de ree van Smirna. Als er nog ééns zoo'n brief van FRITS kwam, zou hy …

Helaas, de Simoïs moest zich getroosten ongedykt te blyven. Juist was de oudeheer bezig z'n vrienden «precies» uitteleggen hoe die zaak in elkaar zat, en met natten vinger—dat wil in onzen tyd zeggen: met z'n rotting in 't zand—aantewyzen …

                                 fera proelia
    Pingit et exiguo Pergama tota mero.
        «Hac ibat Simoïs, hac. est

Och, de moerteekening kwam niet gereed. Onze dykgraaf zou juist overgaan tot het betoog dat die

Priami regia celsa senis

vierkant in den weg stond en onteigend behoorde te worden, toen de postbode berichten kwam brengen uit Konstantinopel, die de kleur droegen van 't romannetje dat LAMARTINE verving, en vóór de oudeheer gereed was met precies-weten wat er haperde aan de gezondheid des Turkschen ryks, leverde Bairout stof tot sterk naar azyn riekende therapeutische beschouwingen over de cholera, afgeschreven uit het quarantaine-reglement dat door 'n stuurmansleerling netjes in 'n lysje was opgehangen in den longroom. Juist begon onze dykgraaf zich heel specialiteitig voortedoen aan den plattelands-heelmeester—jonker FRITS zelf had uit de mars door 'n kyker de lykstatie van 'n slachtoffer der ziekte waargenomen—toen de geest der brieven alweer veranderde, omdat FRITS kiespyn had. De chirurgyn-majoor had den armen jongen naar den tweeden dokter verwezen. Deze naar den derden, geloof ik …

—Ja, de geneeskundige dienst by de marine laat veel te wenschen over, had de heer VAN 'T EEN-OF-ANDER gezegd, na het lezen van FRITSJENS stuk over dit onderwerp. Het stond «op poten!» De oudeheer zou daarvan eens terdege werk maken. Hy was nu in-staat, genegen en bevoegd —Specialiteiten vóór!—die zaak intedyken. Z'n eigen zoon had kiespyn aan boord van 'n oorlogschip. Wat wil men meer?

Lang voor de reorganizatie van den geneeskundigen dienst ter-zee—die uit dit alles niet voortvloeide—lag onze FRITS op de Kommewyne in 'n korjaal te dutten, die hem wiegelde naar 'n plantage waaruit z'n overgrootvader veel suiker, welvaart en welgeslaagde pretensie getrokken had. Uit oude betrekking at en dronk hy daar zeer vergenoegd, en kopieerde 'n paar artikels uit Surinaamsche couranten, over—voor of tegen, dit weet ik niet—over den slavenhandel. Z'n beschouwingen werden afgebroken door taalkundige opmerkingen over 't negerengelsch, en de gemakkelykheid waarmee men zich dat diepzinnig idioom kan eigen maken. Na slechts twee dagen verblijf namelyk wist hy zich met 'n onbeschroomd «mi no sabi»[2] overal verstaanbaar te maken.

Zoo was dan eindelyk de kwestie over den West-indischen Vryen-Arbeid tot staat van wyzen geraakt! De oudeheer VAN 'T EEN-OF-ANDER voelde zich bevrucht van wysheid, en begon nu duidelyk intezien dat:

«het verschil van rassende vrygeboren mensEuropeesch overwichtgraadwydte van den menshoekEngelsche huichelarykonkurrentie van den beetwortel … WILBERFORCE … edel pogen … KAÏN … verstoktheid van die andere partybybelsche oorsprong der slaverny … UNCLE TOM …»

Kortom, hy voelde zich in-staat, genegen en byvoegd—Specialiteiten vóór!—om die zaak allergrondigst te behandelen. Z'n eigen zoon lunchte op 'n plantage aan de Kommewyne, en kon in zuiver negerengelsch verzekeren dat hy iets niet wist. Zou dan de vader niet weten hoe die emancipatiekwestie in elkaar zit? FRITS-zelf had nu 'n footboy met dikke lippen en witte tanden. Zou dan FRITSJENS vader geen verstand hebben van slaverny?

Maar och, 't ging weer als met de indyking van den Simoïs. Lang voor 't slechten of ophoogen der zandlaagjes die de slaverny moesten bedwingen of beschermen—ik verdenk FRITS dat hy, na 't breakfast, brokstukken van tegenvoeters aan elkaar lymde—lang voor de oudeheer gereed was met z'n allerduidelykste uiteenzetting van de zaak, was FRITS te Batavia, waar-i alweer 'n schat van ondervinding opdeed.

In straat Sunda namelyk had 'n zwervende visscher geweigerd zich voor een aan de matrozen geleverd zoodjen ikan kakap te laten betalen met 'n stuk spek en twee verroeste schaatsen. De man was «brutaal» geworden, en daarop door Janmaat geslagen. De arme kadraaier sprong over-boord, en betaalde zich—voor visch en mishandeling niet te duur waarachtig! —met 'n oud wollen hemd dat-i in de vlucht meenam.

Eenige maanden na dit voorval verklaarde zich de oudeheer VAN 'T EEN-OF-ANDER in-staat, genegen en bevoegd—Specialiteiten vóór!—om 't Indisch vraagstuk optelossen. Hy-zelf had nu 'n zoon die perfekt Maleisch verstond. Andjieng belanda! had de vluchtende visscher geroepen. Dit woord stond—met rang van citaat[3]—in FRITSJENS brief, die van 't voorval melding maakte en 't aanbeval als tekst voor 'n verhandeling over Indische toestanden.

—De jongen is vlug! Pas ruikt hy 'n land, en hy verstaat de taal al!
Alzoo:

«MensenrechtNederlandsche beschavingzweet van voorvaderenoogmerken van Voorzienigheid … débouchés voor Enschedésche fabrieken, voor de jeneverstokeryen te Schiedam en andere evangelien_ … handelmaatschappy, konsignatiestelsel, indigo, zeeroof en welmeenendheidheil des vaderlandsverstoktheid van die vervloekte andere partyzeer beminde koningbedrogen raadsleden der kroonen—Specialiteiten vóór!—bevoegdheid

Wel zeker: bevoegdheid! FRITS-zelf immers had 'n Javaan «andjieng belanda!» hooren zeggen.

't Is weer te betreuren dat de rykdom van slof in volgende brieven, den ouden heer VAN'T EEN-OF-ANDER onvruchtbaar maakte door overmaat van bevruchting. Pas had hy 'n zaak goed begrepen, of hy werd zoo specialiteitig beziggehouden met het doorgronden van 'n andere, dat hem de tyd ontbrak daarvan iets meetedeelen op de right place. Toch ging er niets verloren. De Natuur is weldadig. Zy zorgde er voor dat het Meesterwoord bewaard bleef in de gemoederen van de onmiddellyke omgeving des edelen EEN-OF-ANDERS! Wat hy niet kon plaatsen by 't Nederlandsche Volk, werd meegedeeld aan den dorpsbarbier, den tuinman, den notaris en de keukenmeid. De heele omtrek werd aldra doorsuld met kennis van Indische zaken, en toen FRITS eindelyk de kraan zyner openbaringen zóó ver openzette, dat er 'n kistjen Ambonsche-bloemenolie, 'n paar potten atjar bamboe, en 'n «pauwveeren sigarenkoker» uitspoot, die hy-zelf gemaakt had van bamboe … zie verder in voce: Droogstoppel, Havelaar, hoofdstuk zeventien.

* * * * *

—En nu, papa, nu moet ik je zeggen dat ik genoeg heb van dat zwalken en zwabberen op-zee. 't Is 'n hondebaantje. Ik wil m'n onslag vragen.

Met deze woorden heeft FRITS de mededeeling gestoord van 't gesprek dat we zoo-even afbraken om hem acht jaren tyd te gunnen tot schoolgaan en iets-worden.

—Ga je gang, jongen, zei papa. Om 't geld …

De buik werd tot getuige geroepen.

—En bovendien, waarom zou je tegen je zin varen? Je bent nu toch iets, niet waar?

Wèl zeker! FRITS kreeg z'n ontslag, en was …

Een mens moet iets zyn!

FRITS bekleedde op z'n twee-en-twintigste jaar de zeer gewichtige betrekking van gewezen zee-officier die niet langer zwalken en zwabberen wou.

Maar hy wilde nog meer zyn. Hy maakte zich echtgenoot, vader en, na papa's dood, dykgraaf. Daarna … waarachtig, FRITS wèrd een-en-ander!

En, toen dat een-en-ander hem verveelde, als vroeger 't klein eindje zeeleven dat-i byna niet geleid had, toen hy met voorvaderlyke nederigheid begon te bemerken:

dat hy in-weerwil van z'n iets, nog altyd nagenoeg niemendal was,

dat-i de «booien» in den weg liep,

dat z'n vrouw hem aanzag voor 'n keukenpiet,

dat de tuinluî hem lastig vonden,

dat de eerbied van z'n ethnologische kennis van over-zee aan 't verflauwen was,

dat mi no sabi en andjieng belanda zeer gewone stop-en scheldwoorden waren geworden, waarmee men geen bakker meer foppen, geen stalknecht meer beleedigen kon,

dat het prestige van echtgenoot, vader, grondbezitter, dykgraaf en … een-en-ander, begon te slyten,

dat de boeren …

Och! 't was niet uittehouden!

* * * * *

«Van-tyd tot-tyd openbaart zich de behoefte aan specialiteiten op treffende wys. Het vaderland dat op al de krachten zyner kinderen een heilig recht heeft … nogeens: 't vaderland … de ontzaggelyke voorvaderen … geliefd vorstenhuis … de kiezers … de grondwet … de onschendbaarheid des konings … donkere wolken aan den horizon … hoogstopmerkelyke, alle grenzen te-buitengaande, nooit-dagewesene, byzonder-afschuwelyke, eigenaardig-duivelsche, alle goddelyke en menschelyke wetten met voeten trappende, maar au fond door ongeëvenaarde domheid volkomen onschadelyke en slechts belachelyke of deerniswaarde, gemeene àndere krant … juist oogenblik voor alle welgezinden … God en Oranje … vuige belagers van volkswelvaart … zeeleeuwen … worstelstryd … mannen die vaststaan in de uren des gevaars … vertrouwen zyner medeburgers … zeer geacht in 't distrikt welks belangen hy—met edele miskenning altyd der rechten van alle andere kiesdistrikten—alleronpartydigst zal voorstaan … de zoon van een geachten vader die dykgraaf was, en een-en-ander … kleinzoon van 'n gewezen-oud-garde-noble … hoop dat hy zich de keuze zyner medeburgers zal laten welgevallen … dóór-en-door-kundig, fatsoenlyk, doorkneed in alles en een-en-ander … toewyding aan de zaak des dierbaren Vaderlands … verregaande, het fabelachtige voorbystrevende, niet zelden in krankzinnige offerzucht overslaande onbaatzuchtigheid … right man … right place … en vooral de behoefte aan een deskundige in de volksvertegenwoordiging, by de behandeling der zoo vaak en voortdurend verwaarloosde marinezaken

FRITSJE krygt meer stemmen dan er ooit onverstaan wegstierven in de woestyn die maatschappy heet.

FRITS—'n mens moet iets zyn, gelyk z'n zalige vader de dykgraaf baron VAN 'T EEN-OF-ANDER zoo wèl gezegd had—FRITS is iets!

Het bloed der besjeshuizen kruipt waar 't niet wandelen kan: onze
FRITSJEN is iets!

Neen—allen goeien geesten van dooie oud-gewezen garde-noble's in 'n besjeshuis, lof en dank!—FRITS is zelfs méér dan iets!

Hy die zoo kort geleden nog niets, niets, volstrekt niemendal zou geweest zyn, indien hy niet gewezen zee-officier geweest was, die niet langer zwalken en zwabberen wou …

Hy werd op eenmaal: de gids der gidsen, de voorlichter der voorlichters van de natie, de tooveres, de Pythonisse, de Apollo van Endor, Dodena en Delfi, de Jupiter-Ammon van Opper-Egypte, de Velleda van 't Haagsche Binnenhof—met vergunning de uniform te mogen dragen van de korpsen waartoe al die dames en heeren behoord hebben—de hoofd-réverbère op de vuurbaak van 's lands welvaart, de Noordster waarop de hulk van 't zinkend Vaderland den vermoeiden steven richt, en … nog een-en-ander.

FRITSJEN, is als right man on the right place, SPECIALITEIT in de Tweede Kamer!

En zeg nu eens, als ge durft, dat de wegen die Nederland betreedt, niet goed geveegd worden, en dat de Hollandsche broodjes van Staat oneetbaar zyn!

V—MV.

Deze duizend-en-één hoofdstukken worden door den uitgever gesupprimeerd, omdat ze niets behelzen dan vervelende varianten van Fritsjens geschiedenis, met verandering slechts van naam en beroep. We hebben hier te-doen met Fransje die in kavallerie deed, en Cornelis die in-dienst was geweest by de straatslypery. Lukas wordt ter behartiging van 's Lands belang opgeroepen omdat hy verstand heeft van kousenweven, en Steven geniet de eer in hoedanigheid van industrieel-windmolenaar. Kareltje komt op 't kussen om z'n verdiensten als Indisch parvenu … enz. enz.

Nadat de hoofdspecialiteiten door den schryver onder dak zyn gebracht, gaat hy over tot de onderdeelen. We krygen speciaal-Fritsjens van groote vaart en kleine vaart, van stoom-kust-oceaan-rivier-en trekvaart, van kanonneer-glad-driedeks-monitor-en modder-marine, verdeeld in zooveel deelen als de deelbaarheid van den modder, enz. maar eenigszins toelaat, altemaal specialiteiten. Daarop volgden Cornelissen van hoofdstraten en bywegen, van stoepen, trottoirs, stegen, achterbuurten en cul-de-sac's. Fransjens van lichte, zware en middelbare kavallerie, tot en met huurkoetsiers, palfreniers, stalknechts en ezelmelkers … altemaal specialiteiten. We worden voorts onthaald op industrieelen die kousen weven voor heeren en voor dames, voor negers en negerinnen, kousen met en zonder klinken, Japansche kousen met duimen, kousen zonder naad, kinderkousjes, sokken en slaapmutsen in alle mogelyke sorteeringen. Op Lukassen die graan malen, Lukassen die hout zagen, Lukassen die niets malen, en zelfs den wind verwaarloozen waarmee ze niets malen. Daarop volgen de Lukassen van Noordewind, van Zuid- westewind, van N.N.O. t. N. 1/2 Oostewind … kortom, zooveel Lukassen als er stralen schieten uit het middelpunt van de kompasroos. Het spreekt vanzelf dat de Indische fortuin-industrieelen worden onderverdeeld in koffi-suiker-thee-indigo-tabak-en kaneel-parvenus. In-binnenlandsche-buitenpost-en hoofdplaats-parvenus. In juridische, administratieve, militaire en civiele parvenus. In vryarbeids-en kultuurkontrakt-parvenus. In rystopkoop-parvenus. In toko parvenus. In Maleische, Soendahsche, Javaansche, Battaksche Dajaksche, Alfoersche, en Papoeaparvenus … altemaal specialiteiten van specialiteiten, en daarvan de zeer byzonder uitgeknipte onder-specialiteiten.

Indien er voor het weglaten van al deze smakelooze hoofdstukken verschooning noodig waren, zou er ruimschoots te vinden zyn in des schryvers blykbare onkunde, daar hy niet eenmaal schynt te weten dat er in onze Tweede Kamer voor zooveel specialiteiten geen plaats is, een blunder die hem eens-voor-al onbevoegd maakt tot

MVI.

Nu, als de uitgever die hoofdstukken niet wil laten drukken … my wel! Ik heb den lezer in-staat gesteld ze zelf te schryven, en noodig hem daartoe uit.

Maar eilieve, zou er in onze Tweede-Kamer inderdaad geen plaats zyn voor al die kinderen der heeren VAN 'T EEN-OF-ANDER en myner fantazie? Is dit waar?

Zeker! Duizend-en-één individuen kunnen niet geplaatst worden op slechts zeventig orakel-drievoeten.[4]

Welk nut doet dan de enkele dien men daar wèl plaats geven kan?

Heeft de specialiteit meer dan één stem?

Neen!

't Is toch jammer dat het balletje waarmee hy voteert, geen grein zwaarder weegt dan 't kogeltje van z'n buurman die «zich niet zoo heel in 't byzonder heeft toegelegd» op de zaak die aan de orde is. De specialiteit-fabriekheer, al weefde hy nooit iets anders dan slaapmutsen, stemt in marinezaken even onbeschroomd en met gelyken invloed op den uitslag, als de marine-specialiteit over kwestien van industrie, handel of landbouw. Navita de tauris, de ventis narrat arator. De Latynsche spreukspreker was in de war, zooals men ziet, en 't was hoog tyd hem te korrigeeren. Gelyk we doen by dezen.

Zeventig uitverkorenen zullen 't land gelukkig maken. Daartoe is 't wèl behandelen van elke voorkomende aangelegenheid noodig. Die aangelegenheid behoort altyd tot zeker vak, tot zeker onderdeel van menselyke kennis of kunde. In de vergadering bevindt zich 'n individu die in zoodanig vak gediletteerd heeft. Hy moet het weten. Maar … welk nut trekt dan 't vaderland van de andere negen-en-zestig? Zyn ze niet, wel beschouwd, nogal overtollig of zelfs schadelyk? Is 't niet te vreezen dat ze ònspecialiteitig mee-narreerende over winden en koeien—mee-stemmende wat erger is!—den dilettant-specialist zullen óvernarreeren, óverstemmen?

Komaan, ik wil goedig zyn, en al de valsche specialiteiten die m'n uitgever zoo boosaardig supprimeerde, verheffen tot wáre specialiteiten, tot inderdaad kundige, in hun speciaal vak door-en-door bedreven personen … dan zelfs, en dan juist, vraag ik of zy in de volksvertegen- woordiging on their right places zyn?

Ik geloof het niet.

Een goed militair zeeman die tevens de bosse heeft van bevelvoeren en organizeeren, behoort als right man aan 't hoofd van de vloot, en alléén te staan. Men màg zoo'n schat niet bederven, door hem amalgameerend wegtestoppen onder zeventig. Tegen zoo'n alliage is 't edelste goud niet bestand.

De Tweede-Kamer is immers geen kudde wyfjesschapen, waarvan men 't ras verbeteren kan, door 't aankoopen van 'n Thibetbok of Merino?

En zoo'n ingevoerde hamel mag nog 'n flinken bel aan den hals dragen, terwyl de Kammerras-verbeteraar by elke poging tot uitvoering van z'n speciaal mandaat, heel beleefd verschooning en permissie moet vragen aan 't geacht schaap uit een of ander kiesdistrikt, dat hy moeder wil maken van wat kunde.

Die laatste zinsnede is minder scherp dan men meent. Het gebeurt meer dat men den naam dien ik geef aan 'n bestaande zaak, aanstootelyk vindt, terwyl ik beweer dat de aanstoot behoorde gegeven te zyn door de zaak-zelf, die vaak ruwer verwyt meebrengt dan myn woorden. De niet-specialiteiten zien voorby dat zyzelf begonnen zich tot nullen te maken door waarde te hechten aan de meeningen der onnoozele FRITSJEN.

En ook wanneer de speciale kennis van 'n lid inderdaad boven zoo'n armzalig dilettantisme verheven is, volgen er uit de verkeerde toepassing van 't right place-stelsel, allerlei ongerymdheden. Het drukken op de byzondere bevoegdheid van den één immers, sluit de betrekkelyke—soms volsterkte—onbevoegdheid der anderen in zich. De splitsing der intellektueele waardigheid van 'n vergadering, in zooveel onderdeelen als er speciale vakken in die vergadering vertegenwoordigd worden, brengt hare waarde terug tot de opgetelde cyfers der individueele intelligentien die men tot 'n som vereenigen wilde, een poging altoos, waartegen de ongelyksoortigheid der deelen zich logisch—en dus triumfantelyk—verzet.

Gegeven: 'n schaakspeler, 'n kannibaal, 'n schaatsryder en 'n hansworst, die zich vereenigen om viribus unitis iets beters te leveren, dan aan elk hunner in 't byzonder mogelyk was. Meent men dat die Tweede-Kamer van vier leden, beter dan de schaakspecialiteit alleen, 'n nieuwe gambit-kombinatie zal tegenspelen? Dat ze meer personen zal verslinden dan het tweede lid orberen zou wanneer-i zich in eenzaamheid aan z'n vak van menseneten kon toewyden? Dat die leden 't met hun vieren zouden winnen van nummer drie, in 'n kunstig beentjen-over? Dat ze ons hartelyker zouden doen lachen dan de laatste, overgelaten aan z'n invidueele vis comica?

Ik vergis me. De komieke specialiteit moet te-kort-schieten by den kollektieven indruk dien-i maken zou cum sociis!

En meer ongerymdheden! A is bekwaam in zeker vak, en erlangt daarom en als zóódanig 'n plaats in de Volksvertegenwoordiging. Maar, ook vele anderen zyn in dat vak bekwaam, en hebben dezelfde aanspraken al hy. Sommigen zelfs staan als specialiteit hooger aangeschreven in de meening hunner kollegaas die hierover, als zeer speciale specialiteiten immers, het best kunnen oordeelen. Waarom moeten nu al die anderen—z'n erkende meerderen misschien—zwygen waar A spreekt? Waarom geldt hùn stem niet, en wel de stem van A? Ligt er niet iets onbillyks in, één persoon voor officieel-wys te verklaren, en zooveel anderen buiten-te-sluiten, die met gelyk of grooter succes dan hy, het vak beoefenden waarin hem door z'n verkiezing 't meesterdiploom by-uitnemendheid wordt uitgereikt?

We hebben … oorlog—schrik niet, lezer, ik fantazeer—we hebben oorlog met Engeland. De oorzaak ligt in de haringvisschery. Waarom nu één haring-specialiteit in de Kamer? Heel Vlaardingen moet er in. Al wat haring vangt, kaakt, zout, eet, koopt, verkoopt en kuipt.

De scholen—schrik weer niet, lezer, ik ga voort met fantazeeren[5]—de scholen deugen niet. Waarom nu één schoolman in de volksvertegenwoordiging? Is er waarlyk behoefte aan speciale voorlichters op die plaats, dan hoe-meer voorlichting, hoe-meer specialiteit, hoe-beter. Roep dan elken professor binnen, elken magister, elken geleerde, elken msjeu, elken sekondant, elken schooljongen zelfs …

Meent men dat het de moeite niet loonen zou, aan kinderen te vragen wat er aan 't onderwys ontbreekt?

Men bemerkt dat de renommee van 't fabriekmerk der brave Hollandsche boter aan 't dalen is. Alweer fantazie, schrik dus nog niet. De beschreven vaders voelen 'n leegte. Ze betrappen zich op gebrek aan verstand van boter. Het bedreigd voorwerp, schuldig dan of miskend, moet in z'n rang hersteld, ne quid detrimenti … enz. Spoedig 'n boterman! Daar is-i. X heeft verstand van de zaak. Zeer wel. Maar … al de anderen die «in boter doen?» Al de anderen die 't in de vervalsching van dat artikel nog verder brachten dan hy? Waarom niet ook hùn 'n kussen aangeboden? Met 'n plaatsje er by, om er op te zitten, tenzy ze—wat ik niet ongepast vinden zou—daartoe hun botertonnetjes meebrengen, de dingen immers waaraan ze de aanspraak op die kussens te danken hebben.

Indië gaat verloren—er is geen woord van waar, schrik dus nog altyd niet, ik stel maar iets[6]—Indië is in de war … vry-arbeid … kultuurstelsel … algemeene ontevredenheid … ministerieele krises zonder eind … aardbevingen … overstroomingen … echt-liberale meerderheid … allerlei ongelukken. Alzoo Specialiteiten voor!

Daar zyn ze. A kan kassi api zeggen. Hy is dus 'n halve Maleier, en the right man. Maar … B heeft het gebracht tot 'n Soendahsch tjokal sonoh, en C tot 'n ongestameld Javaansch djalook gni.

Is 't nu niet hard voor die twee laatste letters, dat ze A moeten zien plaats nemen in den tempel, terwyl zy worden buitengesloten, zy en 't heele alfabet van de velen die 't nòg verder brachten in speciaal-kennis van Indie? Moest niet eigenlyk ook de kat worden binnengeroepen van de naaister der juffrouw wier grootmama's buurman eens zoo specialiteitig droomde van iemand die op 'n printjen 't portret had gezien van 'n doodgeboren wicht dat er misschien eenmaal aan gedacht zou hebben hoe sommigen naar Indie kunnen gaan … als 't geleefd had?

Dat ik in die duizend gesmoorde hoofdstukken me vergiste in de lokaal-kapaciteit van de Kamer, kan waar zyn. Maar 't blyft even waar dat dit jammer moet worden gevonden door ieder die meent dat zoo'n vergadering, om aan hare roeping te voldoen, behoefte heeft aan Specialiteiten.

En … nog meer ongerymdheid, nog meer schade, nog meer leugen!

Wie in haringzaken de behoefte aan 'n specialiteit staande-houdt, en niet genegen is heel Vlaardingen binnen te roepen, behoort uit de Vlaardingers 'n keus te doen. Wie worden nu met deze keus belast? Experts? Zaakkundigen? Geenszins. De specialiteit wordt uitgekozen door niet-specialiteiten, de bevoegdheid wordt beoordeeld door niet-bevoegden, door kiezers.

Zy die zich in de volksvertegenwoordiging doen voorlichten door vakmannen, vergeten gewoonlyk dat het niet altyd de sommiteiten in zoodanig vak zyn, die door leeken worden waardig gekeurd de algemeene zaak voortestaan. En, dat bovendien juist zy die 'n vak met hart en ziel beoefenen, en 't daarin brachten tot iets uitstekends, den minsten lust voelen hun persoonlykheid, die 'n zeer speciale waarde heeft in gemeenschap van goederen uittehuwen aan 'n vergadering, welke gemiddelder waarde altyd beneden die van 'n middelmatig individu staat. Dit laatste meen ik in m'n IDEE 9 overtuigend te hebben aangetoond.

Dat nu zoodanig uitstekend individu ook wat plicht en roeping aangaat, zich niet zoo onwaardig mag laten gebruiken, valt my in het oog. Maar aan sommige anderen schynt deze waarheid niet zoo duidelyk, en daarom zal ik trachten haar optehelderen door de veronderstelde uitstekendheid by benadering te schatten in geldswaarde of maatschappelyke pozitie. Stellen wy dat er wryving van gevoelen bestaat over Geneeskundige-dienst. Hygiène, enz. en dat men alzoo in de Kamer ernstige debatten over die onderwerpen te-gemoet ziet. By vakaturen wordt gewezen op de «juist thans zoo diep gevoelde behoefte aan 'n specialiteit.» De kiezers zien dit in. Er is'n geneesheer noodig. Geen heil buiten de medicynen alzoo. Een koninkryk voor 'n dokter!

Welken dokter moet men nu kiezen?

Den bekwaamsten, denk ik.

Wie beoordeelt die bekwaamheid?

Iedereen! Maar … niet iedereen kan dit beoordeelen met grond.

Men gaat te-werk naar den roep die er van 'n geneesheer uitgaat, Wie veel praktyk heeft, is bekwaam. De geneesheer zonder praktyk, is niet bekwaam. Dat dit kriterium hoogst-onzuiver is, doet niet ter-zake. Men heeft geen ander. En bovendien, 't mag niet gewraakt worden in kiezerszaken, daar zoodanige zeer inkorrekte waardeering berust op 't zelfde beginsel waarmee de heele kiezery staat of valt, op: meerderheid van stemmen.

De te kiezen specialiteit behoort dus iemand van naam te zyn, niet waar? Een dokter die door velen voor bekwaam gehouden wordt?

Vraag eens aan geneesheeren die tot deze kategorie behooren, of zy hun ryke praktyk gelieven optegeven voor de nogal twyfelachtige eer van 't lidmaatschap der Tweede-Kamer? En ook zonder te spreken van 't geldelyk verlies, het zou al zeer weinig getuigen van liefde voor de wetenschap, indien zy zich op die wyze door 'n kiezersgril lieten aftrekken van 'n beroep dat den welgezinden onder hen, roeping is.

De zeer voorname geneesheer bedankt alzoo. De iets minder voorname —tweepaardig nog altyd!—bedankt ook. De karbriolet bedankt. De chais bedankt. Ach, de goeie lieve arme Tweede-Kamer moet zich behelpen met deze of gene godheid van lagere orde en te-voet, die haar gebruikt om zoo mogelyk langs chais, karbriolet en koets opteklimmen tot wat renommee en praktyk. «M'n zieken zyn wat schaars, zoo redeneert de half- verongelukte, doch als ik 'n deftig M.P. achter m'n naam zet, zullen de patienten wel komen opdagen.» Daar ziet men dan 't specialiteiten-beginsel op z'n kop staan. Niet de geneesheer als zoodanig nuttig in de Kamer, maar 't kamerlid zit als volksvertegenwoordigende specialiteit voor 't ziekbed. Hy licht z'n zeventig kollegaas niet voor met geneeskundige kennis, maar voelt met ambtelyker deftigheid dan vroeger, den pols zyner zieken. Z'n redevoeringen imponeeren de geachte leden niet, al rieken ze naar de school—en dit moet, want met dat doel is-i daar—maar wel maakt hy op z'n patienten hoogmogender indruk dan in de dagen van z'n kamerloosheid. In 't Parlement daalde hy, zonder baat voor iemand, van eenheid af tot 'n zeventigste deel. Met zeventigvoudige waardigheid daarentegen wreekt hy zich op z'n andere lyders … die ook niet genezen, al zyn ze 'r nóg zoo groots op één dokter te hebben met het vaderland.

Laat ons aannemen dat de voor bekwaam gehoudene inderdaad in kennis zoo hoog staat als z'n inkomen schynt aantewyzen, en tevens dat-i vervuld is van liefde voor de algemeene zaak, zóó zelfs dat hy des-noods bereid wezen zou van die hoogere inkomsten afstand te doen, om tennutte des Volks bezig te zyn. Hoe behoort in zoodanig geval deze specialiteit te redeneeren?

«Er is in onze Volksvertegenwoordiging debat op-handen over Hygiéne, Geneeskundige-dienst, Akademisch onderwys in de fakulteit der medicynen, enz. enz. Ik heb my op die zaken toegelegd, en vermeen —liever: en ben overtuigd—in-staat te wezen over dat alles inlichtingen te geven die van nut kunnen zyn voor de beraadslagingen. Men biedt my 'n plaats in de Kamer aan. Is 't nu, in het belang der zaak, m'n plicht die betrekking aantenemen? Wordt de door my verkregen kennis het voordeeligst aangewend in of buiten die kamer? Dàt is de vraag?

Ik beweer dat de bekwame specialist, na zich deze vraag ernstig te hebben voorgelegd, geen annihileerd lidmaatschap aannemen màg. Hy màg 'n kennis niet versplinteren. Hy màg het deel der wetenschap, waarover hy te beschikken heeft, niet onderwerpen aan reglementen van orde, aan konventioneele parlements-usantien, aan wanbegrippen over party-plicht. Hy màg de religie van z'n vak niet blootstellen aan de schande van 'n stryd met onkundigen, waaronder er zyn die op toevallig ambtgenootschap het recht gronden van onbeschaamdheid. Hy màg dit niet, en … 't geschiedt ook niet! Want … wie inderdaad als specialiteit bekwaam is, bedankt. Hy komt, na de vragen die hy zich—altyd in 't belang der zaak —voorlegde, tot de slotsom dat-i z'n talenten, z'n kennis en z'n bekwaamheid het voordeeligst aanwendt door het individueel verkondigen van wat hy ter-zake dienstig oordeelt. Hy biedt de vruchten van z'n arbeid aan volk en vertegenwoordiging beide, en wacht …

Wyst men daarop z'n slotsommen af? Mislukt hem 't gepoogd overplanten zyner denkbeelden? Welnu, dan juist blijkt hem dat hy zichzelf, z'n arbeid, en z'n «Publiek»—in en buiten de Kamer—goed beoordeeld heeft. De specialist die, ongestoord arbeidende met al de kracht eener alleenstaande individualiteit, geen bres beukte in den dikken muur van algemeene onkunde, zou waarlyk dien muur niet hebben omgeworpen, indien hy de kracht van z'n geest had verwaterd door oplossing in een onevenredig-groot aantal deelen … ànderen geest.

Dit laatste beeld is weer onjuist, en te flauw voor de zaak die ik daarmee wil kenschetsen. De invloed namelyk van den specialist wordt niet alleen verzwakt en verlamd door z'n opgaan in een groot heterogeen geheel, maar die invloed wordt door tegenwerking vernietigd, of althans dit kàn 't geval zyn. De mogelykheid bestaat dat 'n nuttige waarheid die kans had op bevruchtend doordringen, voor langen tyd verloren gaat, òf omdat zy 'n lid der Volksvertegenwoordiging tot ontdekker had, òf omdat ze in die Vertegenwoordiging werd verkondigd. En hierop doelde ik eenige bladzyden geleden, toen ik klaagde: nog meer schade, nog meer leugen! Dat immers het smoren van waarheid, leugen in de hand werkt, zal wel betoog behoeven.

Ik verdedig van 't nu volgend voorbeeld alleen de strekking, en geenszins de zeer willekeurig gekozen stelling.

Een geneesheer, inderdaad sommiteit in de wetenschap, heeft zich laten verschalken. Hy verlaat zieken en studeercel, en neemt zitting in de Kamer. Na moeilijke inspanning en veel speciale studie, is hy in het bezit geraakt van een of meer der volgende—door my slechts voor 'n oogenblik als zoodanig aangenomen—waarheden:

dat de volksvoeding slecht is, dat de kazerneering van de militairen veel te wenschen overlaat, dat de hospitalen niet deugen, dat de vaccine nadeelig werkt op de gezondheid, dat er fouten zyn in de wettelyke regeling der prostitutie, of wel dat de heele wettelyke regeling op dat stuk 'n fout is, enz. enz.

Hy was op 't punt de rezultaten zyner wetenschap en ervaring neerteleggen in 'n uitgebreid werk. Daar komt men hem storen met z'n verkiezing. Nu behoorde hy te antwoorden: «lieve mensen, ik heb waarlyk geen tyd voor zulke dingen, voorziet u elders!» Maar we stelden reeds dat het verschalken ditmaal gelukt. Zelfs de goede HOMERUS slaapt nu-en-dan. Onze voorlichter laat zich dus de «keuze zyner medeburgers—waaronder geen enkele is, dien hy 't geringste stemrecht zou toekennen in zyn onderzoekingen!—welgevallen.» Verkeerd redeneerende, hoopt hy z'n verkregen kennis aantewenden in dien nieuwen werkkring.

Maar … die werkkring omvat ook andere zaken dan waarmee hy zich zoo religieus bezighield. Men tracht hem te werven voor—of tegen —tariefsherziening, vry-arbeid, kadaster-revisie, schoolwet, afschaffing tienden, pantser-fregatten, linie-verdediging, kieswet- verandering, enz. enz. Onze arme geleerde voelt dat hy in 'n maalstroom geraakt is, waarby hy de vruchten zyner korrekt-wetenschappelyke nasporingen niet plaatsen kan. Z'n nieuwe omgeving waardeert z'n vorigen arbeid niet. Het is haar niet om waarheid te doen, maar om 'n stem.

Dit is hem wel 'n groote teleurstelling, maar … och, onze naïve onderzoeker beleefde niet geheel ongeschonden de laatste twintig, dertig jaren. De modewoorden, «behoud, liberalisme, reaktie, verblinding der tegenparty—die 't altyd glad mis heeft—ministerieele krizis, periodieke òndergangen van 't vaderland» enz. drongen tot z'n studeervertrek door. Wel stuitten hem vroeger, als ruwe vloeken den vrome, al die vage uitdrukkingen, hem die de godsdienst van 't exakte bekleed, maar men is nooit straffeloos 'n kind van z'n tyd. Hy wyst al die Kamerpraatjes niet af met de minachting die ze verdienen, en die dan ook werkelyk gevoeld wordt door den zeer enkele die trouw bleef of aan gezond verstand, òf aan de vak-religie waardoor by sommigen zoo eigenaardig de rol van 't geweten vervuld wordt. Maar dit zyn uitzonderingen.

In-weerwil van dat alles herinnerde hy zich iets op 't gemoed te hebben. «De volksvoeding, m'nheeren …

Wie luistert naar zóó iets! De kwestie aan de orde is, de dikke yzeren platen waarmee men waarschynlyk onze schepen onbruikbaar maakt, en zéker de marine bederft, uit Engeland of uit Frankryk moet ontboden worden? Dat 's wat anders dan eiwit en proteïne!

Zeer wel. De arme man tracht met geduld en berusting die pantserplaten te doorboren, en zwygt. Neen, erger, hy stemt mee met de clique waartoe hy zich verbeeldt te behooren, omdat ze hem 't uitzicht opende ook eens naar hèm te luisteren. Maar … eerst die pantser-historie Passez nous le rhubarbe, nous vous passerons le séné!

«De kazerneering der troepen …

Lieve hemel, hoort hy dan niet dat we bezig zyn met Eeredienst? De vraag «aan de orde» is, of goddelyke dingen, voortaan te zwak om alleen te staan, by finantien of binnenlandsche zaken moeten worden ingedeeld? De Israelieten beweren, de Katholieken gelooven, de Protestanten protesteeren …

In 's hemelsnaam! De huisvesting der troepen moet wachten tot de res divinae gekazerneerd zyn.

«Maar de hospitalen dan …

Hospitalen hier, hospitalen daar … de heeren zyn bezig met 'n Noorzeekanaal. Dàt is «aan de orde». Hospitalen by 'n volgende gelegenheid.

En onze patiënt—helaas, vroeger was-i zelf geneesheer! moet z'n lydende hospitalen laten wachten.

«Wat de koepokstof aangaat, myne heeren …

Er wordt vandaag niet ingeënt. De Kamer is bezig met de posteryen. «Aan de orde» is de vraag hoe 't stelen van brieven kan voorkomen worden?

De tegenstander der vaccine—hy is dus vooral tegenstander van gedwongen vaccinatie—schikt zich alweer. Hy stelt z'n verlossing uit, en rekommandeert zich voor wat gelegentliche aandacht op de zaken die hy behandelen wil, door zich gedwee te laten inënten met postery.

«Wat de prostitutie aangaat …

Sjt! Over zulke dingen wordt hier niet gesproken. On se respecte!

Daar zit nu de man met z'n kennis, met al z'n geleerdheid, met al z'n specialiteit! Hy betreurt den tyd toen-i alléén was met z'n streven naar waarheid, en geen andere beletselen kende, dan die uit den aard der behandelde zaak voortvloeiden.

Maar … eindelyk toch komt het tydstip waarop hy zoo-lang wachtte. Na 't doorloopen van allerlei kursus in zaken die hem vreemd waren, en waarin-i zoo goed mogelyk zich richtte naar 't voorbeeld van wien hy aanzag voor specialiteiten in hùn vak—de onnoozele! roept men hem op tot verkondiging …

Hy is gereed. «De huisvesting der troepen alzoo …

Alweer mis! Heeft men ooit dommer onbruikbaarder schepsel gezien dan zoo'n geleerde! Daar zou hy waarlyk den minister die gesteund moet worden, 'n brandhout voor de voeten gooien, of: den minister die vallen moet, steunen!

Zoo wordt alles gesmoord, vernietigd. Waarheid, vrucht van gemoedelyk onderzoek, religie der wetenschap, hospitalen, volksvoeding, vaccine, prostitutie … neen, nu zeg ik 'n woord te veel, één woord.

* * * * *

De zaken kunnen zich evenwel anders toedragen. Variis modis male fit. Stellen wy eens dat de thesis die onze specialiteit te bepleiten heeft, ten-laatste wèl «aan de orde» komt, en dat het geoorloofd is haar te behandelen. Hy spreekt. Men luistert naar hem. Men geeft hem de eer die hem als bevoegde toekomt.

Wie geeft hem die eer? Wie luistert?

De Kamer?

Geenszins. Slechts 't gedeelte der Kamer dat de verkondigde nieuwe leer kan gebruiken in 't program van den kinderachtigen partystryd. De waarheid wordt niet ingehaald om haarzelfs-wil, maar om haar opportuniteit als oorlogswapen. De bekwame specialist bedroeft zich over 't misbruik dat hy ziet maken van z'n arbeid, en gevoelt dat elke leugen, wanneer ze maar gelyke partydienst doen kan als de door hem gevonden waarheid, even welkom als deze zou geweest zyn.

Doch, meent men, z'n mededeelingen zyn nu eenmaal aangehoord … ze zullen doordringen?

O zeker. Het staat in de macht van geen Parlement ter-wereld, de waarheid op-den-duur te smoren. Maar ik blyf beweren dat de verkondiging op die plaats haar 't licht doen zien in zeer nadeelige konditien. De onvervalschte verspreiding wordt tegengewerkt en vertraagd door de lokaaltint van pseudo-staatkunde tendance die onafscheidelyk is van elke parlementaire handeling.

Het doet er voor den eisch van m'n betoog volstrekt niet toe, of de wetenschappelyke meening van onzen bekwamen specialist samenvalt met de belangen der meerderheid, of met die van 't ander deel der vergadering. De hulde dergenen in wier kader z'n opinien passen, heeft minder waarde dan wanneer z'n ontdekkingen waren gepubliceerd zonder politieken bysmaak. En … de tegenwerking der andere party is hevig. Dit nu op-zichzelf ware geen schade. Maar die hevigheid openbaart zich ten-koste van de waarheid. En dit schaadt wel!

—Hoe, gebreken in volksvoeding, in kazerneering, in prostitutie?
Onder den minister dien wy steunen? Dat mag niet waar zyn!

—'t Is inderdaad hard, maar … wie zal hem tegenspreken? Hy is 'n alom voor bevoegd gehouden … specialiteit!

—Zooveel te beter! Ook wy weten met zulke dingen te goochelen. En is 'n vakature voor 't distrikt X, Y, Z. Aan specialiteiten is ook aan ònzen kant geen gebrek …

Waarlyk, weinig tyds na z'n optreden ondervindt onze Goliath dat men hier-of-daar 'n Davidje wist optesporen—liefst 'n zeer kleintje—die juist niet altyd behoeft te overwinnen, als hy maar goed genoeg slingert om zeker soort van kampvechters te doen meenen, of gelegenheid te geven tot het voorwenden van de meening, dat hy den reus vlak voor z'n kop heeft getroffen.

Hoe dikker de laag van onbeduidendheid, die men doorboren moest om de nieuwe specialiteit aan 't licht te brengen, hoe onvoordeeliger de toestand wordt van den uit z'n kring gerukten apostel. Hy gevoelt dat men hem verlaagd heeft tot vechthaan, en dat hy zich en spectacle geeft. De leeken staan er by met de handen in den zak, en wedden. Ze voelen niets van de pyn des meesters, die diep gewond wordt, niet door de slagen die hem de leerling toebrengt—ze treffen niet!—maar door 't vernederend besef dat-i zich heeft laten verlokken tot derogeerenden stryd. Hy moet het aanzien dat onbevoegden z'n tegenstander den palm der overwinning toekennen, of—niet minder bitter!—ondervinden dat even onbevoegden wel willen erkennen dat hy dien tegenstander verslagen heeft, en mag eindelyk nog van geluk spreken, indien de parlementaire konvenientie van 't oogenblik hem den byval verzekert van de meerderheid. Maar … ook dit zelfs kan wel eens veranderen na de herkiezingen in Juni!

De specialiteit der 3e, 7e 1001e klasse integendeel, wint altyd, ook al werd-i moralement parlant platgebeukt weggedragen van 't slagveld. Hy die, buiten de Kamer, volgens de schatting der vakgenooten, onwaardig zou geweest zyn de schoenriemen des meesters te ontbinden, geniet nu reeds door den stryd-zelf—hoe ook de uitslag zy—grooter eer dan in gewone omstandigheden het loon eener overwinning wezen zou. Hy hyscht z'n onbeduidenheid aan de hoogte van z'n tegenstander op, die op zyn beurt hem niet mag terugzenden naar de school, omdat hy ditmaal niet te doen heeft met de nietige persoonlykheid van den adept—van den dilettant misschien—maar met die andere nietigheid welke men in de dieventaal der parlementen gewoon is: 't «geacht lid» uit … een-of-ander, te noemen.

Bezit nu 't ad hoc binnengeroepen vechtkuiken de gaaf van «mooipraten» of al ware het zelfs van «goed-spreken» dan is de zaak nog erger. En: dit is meestal 't geval, omdat het uit den aard der zaak voortvloeit. By 't opsporen immers van iemand die de gevreesde bekwame specialiteit moet neutralizeeren, is welsprekendheid—zoo noemen ze dat, en ik zal hierop terugkomen—'n eerste vereischte. Hoe hooger Goliath uitsteekt, hoe meer steentjes onze David-Demosthenes moest kunnen bergen in z'n mond. Hoe minder wetenschap, hoe meer redevoering. Hoe minder kennis, hoe meer misbruik van taal. Hoe minder innerlyke waarde, hoe meer cant.

Ligt het nu niet in de rede, dat onze andere specialiteit, hy dien we voorstelden als inderdaad uitstekend, berouw voelt dat hy zich en z'n waarheidsreligie blootstelde aan zulke vernederingen? Moet hy niet telkens neiging voelen den stryd te ontwyken, als zyner onwaardig? Begrypt men niet, dat hy slechts met moeite zich weerhoudt van het uiten der klacht: «gy, geachte leden die m'n woorden toejuicht of afkeurt, ik wenschte dat ge leerdet wat toejuiching of afkeuring waard is. Voor u allen is plaats op andere banken dan van deze Kamer … ik wacht u by m'n lessen. Wat u betreft, geacht lid uit Snaterburg, die me zoo heel in 't byzonder tegenkakelt, om by die lessen te worden toegelaten, stel ik u voor, een-en-ander afteleeren. En hiermee heb ik de eer de heeren te groeten.»

Wel zeker! Hy gaat naar huis, en zoekt 'n ander veld ter bezajing. Als oprecht waarheidzoeker is hem lof en tegenspraak beide welkom. Maar 't moet de waardige lof zyn die aanmoedigt en kracht geeft tot voortgaan, niet de onbekookte «mooivindery» van bevooroordeelden. De tegenspraak die hy gaarne uitlokt als onmisbaren graadmeter van z'n oordeel, behoort te leiden tot ontwikkeling. Hy voelt zich en z'n zaak te goed voor 'n redeloos gekibbel, dat hem afmat, den indruk zyner redeneeringen uitwischt, en den stand der behandelde zaken verwart. Dit alles moge nu-en-dan voldoen aan de eischen eener zoogenaamd-staatkundige party, 't past gewis niet in 't program van den waarheidzoeker.

Ik laat nu daar, in hoeverre dit alles anders wezen zou, indien … onze parlementen anders waren. Dit behoort niet volstrekt tot m'n tegenwoordig onderwerp, al zy 't dan dat de wanbegrippen over 't nut van specialiteiten het hunne bydragen tot het laag gehalte onze Volksvertegenwoordiging. Daartoe evenwel werken ook oorzaken mee, die tot 'n heel andere kategorie van dwaling behooren, dan waartegen ik in dit geschrift te-velde trek, en die ik dus nu voorbyga.

Men zou me kunnen tegenwerpen dat de bekwame specialist niet juist altyd 'n onwaardigen tegenstander behoeft te hebben, en vragen of er dan ook geen nut te trekken is uit 'n debat tusschen ebenbürtigen?

Elders, ja. Maar in de Kamer niet. De pseudo-politieke atmosfeer bederft al wat haar inademt. De man van wetenschap gevoelt dit, en tracht zich aan dien invloed te onttrekken. Zoodra hy in z'n tegenstander een hem waardigen kampvechter erkent, zal hy hem liever uitnoodigen tot het kiezen van 'n geschikt terrein, dan hem en zichzelf ten schouwspel te geven aan 'n publiek dat het bywonen van den stryd niet waard is. Deze ridderlyke afkeer van dorperheid wordt nog ondragelyker, zoodra de kampioenen het besef opdoen dat hun plebs niet alleen onbevoegd is tot het beoordeelen van de kracht of juistheid der toegebrachte slagen, maar dat het er op aast hun beider eruditie te gebruiken als oorlogsmiddel in 'n stryd waarmee de wetenschap niets gemeens heeft. De vernedering is dan voor beiden onduldbaar, waaruit dus vanzelf volgt dat wy op zoodanig schouwspel zelden—ik durf zeggen: nooit—onthaald worden. En hiermee wordt alzoo de stelling bewezen dat de inderdaad bekwame specialiteit het lidmaatschap in de kamer niet dan onbedacht aanneemt, en in dat geval slechts voor zeer korten tyd behoudt.

De schaarste van uitzonderingen op dezen regel gedoogt niet dat het aanwezen van twee uitstekende specialiteiten in één vak, frekwent kan zyn op de banken der Volksvertegenwoordiging. Doch al ware dit anders, dan nog en dan alweer zou 't getuigen tegen de toepasbaarheid van 't specialiteiten-stelsel, dewyl in zoodanig geval andere speciaal- vakken te schraal zouden bezet wezen.

Aannemende immers dat, byv. de marine door twee specialiteiten werd vertegenwoordigd—hooger aantal zou de onevenredigheid nog doen stygen—dan volgt hieruit dat veel andere vakken van kennis en wetenschap onvoldoende of in 't geheel niet gereprezenteerd worden, en wel om dezelfde reden die m'n uitgever bewoog die duizend vervelende hoofdstukken te schrappen.

Twee zulke marine-specialiteiten zullen gewoonlyk bestaan uit twee … FRITSJENS. Zelden uit één admiraal van de soort als die ik liever aan het hoofd van de vloot zag, met één FRITSJE tegenover hem. En nooit uit twee admiralen van dat gehalte. Mocht dit laatste par impossible 't geval eenmaal wezen, dan kan men verzekerd zyn dat de een met monitors dweept, en dat de ander, op 't voorbeeld van den Amerikaan FERRAGUT, zich schamen zou to fight on the bottom of a teakettle. In één zaak evenwel zullen die heeren 't ééns zyn, in tegenzin elkaar te enteren voor 't plezier van zes dozyn landkrabben die geen marlpriem kunnen onderscheiden van 'n borduurnaald.

Doch, zullen sommigen meenen, het nut der debatten tusschen specialiteiten in de kamer gaat misschien niet geheel te-loor. Ze worden ook buiten de Kamer gehoord …

Niet zoo goed als wanneer ze buiten die Kamer gevoerd waren, in welk geval de onderwerpen grondig, monografisch, en van politieke «smetten vry» konden behandeld worden. Deze drie epitheta namelyk duiden de tegenstelling aan, van de belemmeringen in de Kamer, die ik trachtte te schetsen.

Wie overigens, ter verdediging van het nut der specialiteiten in 'n parlement, zich beroept op de mogelykheid dat niet alles verloren gaat wat ze daar ten-beste geven, heeft toegestemd wat ik bewyzen wilde.

Ik mag dit kapittel niet sluiten zonder de opmerking dat de gegrondheid myner overtuiging op dit stuk, gestaafd wordt door de Geschiedenis. Nooit dan in de tyden van voorbygaande beroering, waren zeer uitstekende mensen—dusgenaamde «groote mannen»—leden eener politieke vergadering. In dit feit ligt de resumtie der oorzaken waarom ook gewoon-uitstekende mensen—vak-specialiteiten—niet op hun plaats zyn in 'n volksvertegenwoordiging. Zoodanig kollegie geeft aanhoudend blijk, niet zoozeer te beantwoorden aan de roeping om kapaciteiten aantewerven—wat dan toch, oppervlakkig beschouwd, de eisch wezen zou—dan wel om te voorzien in de behoefte aan 'n terrein waarop middelmatigheden voor kapaciteiten kunnen doorgaan. Wie veel bezit, associeert zich niet. En wie inderdaad iets is …

—Niet waar, 'n mens moet iets zyn, roept men ons uit den hemel toe …

We herkennen de stem des zaligen Barons VAN EEN-OF-ANDER. En we geven hem volkomen gelyk. Een mens moet iets zyn. Zeker, zeker, men moet iets zyn! Maar juist daarom komt het me voor, dat iemand die inderdaad uit zichzelf iets is, zich geen moeite hoeft te geven schynbaar iets te worden, door 't opgaan in anderen die op hun beurt zich slechts vereenigden om niet, ieder alleen staande, volstrekt niemendal te wezen.

MVII.

Onder de tallooze invloeden die de maatschappy beheerschen, zyn er velen die wy òf in 't geheel niet kennen, òf waarvan wy ons slechts zeer onvoldoende rekenschap geven. De algemeene oorzaak van dit verschynsel zal wel traagheid zyn, maar ik meen de meer onmiddellyke aanleiding te vinden in onze … specialiteit van aardbewoners. We zyn zoo gewoon geraakt aan 't waarnemen of ondergaan van de uitvloeisels, dat we zelden ons opgewekt voelen om onderzoek naar de bronnen te doen. 't Is dus hier alweer—als by die bakkers in Hoofdstuk zooveel—de levenslankheid waarmee wy ons vakje van aardbewoners uitoefenen, die ons van 't nasporen der causae rerum terughoudt, en hierom staat gewoonlyk ons begrip nog lager dan onze kennis, die … ook te wenschen overlaat.

Wanneer een onzer op de maan aanlandde, en daar wezens aantrof die belangstelden in kennis, zoud-i waarschynlyk in z'n nieuwe omgeving doorgaan voor byzonder bevoegd om inlichtingen te geven omtrent aardsche zaken. Maar weldra zou hem blyken dat een seleniet meer vragen kan dan tien telluriers weten te beantwoorden. En dit niet alleen ten-opzichte van inderdaad onoplosbare vraagstukken, of ook van die welke slechts by sommigen voor moeielyk doorgaan, maar zelfs in zaken die geenszins buiten z'n begrip liggen. Telkens zoud-i zich moeten verwyten gedurende z'n vorige loopbaan zoo weinig acht te hebben geslagen op 't verband tusschen oorzaak en gevolg, en by 't minst besef van eerlykheid ware hy werdra genoodzaakt z'n ontslag te vragen uit de betrekking van vraagbaak. De primitiviteit der leeken die hem aanzagen voor professor, zou zich openbaren in allerlei vragen welke hy nooit zichzelf voorlegde niet alleen, maar die hem ook op z'n eigen planeet nooit waren gedaan door onkundigen, vertrouwd en verzoend als ze waren met hun gebrek aan begrip. Een vry algemeene hoofdindruk van zoo'n ontmoeting zou bestaan in de overtuiging dat-i vroeger zeer veel meeningen had aangenomen als op rede gegrond, terwyl hy nu zou moeten erkennen dat ze slechts berustten, of op stilzwygende overeenkomst—konventie—óf op voorbedachtelyke en uitdrukkelyke versiering, op 'n gemakshalve als wáár aangenomen maar onbewezen en vaak onjuiste stelling, in één woord: op fiktie. Onder deze konventien bekleeden onze meeningen over bevoegdheid 'n eerste plaats. By nauwkeurig onderzoek zal gewoonlyk blyken dat we telkens deze hoedanigheid toekennen aan personen die daarop niet veel meer aanspraak mogen maken dan zoo'n verdwaalde aardbewoner die op de maan benoemd werd tot adviseur.

Dat de hier bedoelde onjuistheid van schatting, met al de fouten die er uit voortvloeien, nooit geheel kan vermeden worden, ligt in den aard der zaak. De meeste punten van rechtsbegrip en zedelykheid immers, ja zelfs de meeningen over eigen of algemeen belang, berusten op konventie, en dit zal wel zoo blyven, zoolang 't ons niet gegeven is doortedringen tot de eerste oorzaak der dingen. Altyd stuiten wy in onze nasporingen op 'n stelling die—zooals de axiomaas in wiskunde, maar met minder recht—voetstoots moet worden aangenomen, op-straffe van onmogelykheid om dóórteredeneeren. Dit verschoont evenwel de lichtzinnigheid niet, waarmee wy ook zulke onwaarheden vaststellen, die zeer goed hadden kunnen vermeden worden zonder ons 't verlies van 'n bruikbare konkluzie te veroorzaken. Het is waar dat wy in sommige gevallen aan zeker vertrouwen op konventioneele bevoegdheid behoefte hebben, geenszins omdat dit den wysgeer nader brengt aan waarheid, maar omdat de maatschappelyke orde soms vereischt dat 'n twyfelachtige zaak op wettelyke wys worde vastgesteld. Dit onderscheid tusschen de doeleinden der wysbegeerte en de belangen van de maatschappy, wordt—heel onwillekeurig voorzeker, maar nogal duidelyk—erkend door de Wet. Zy verbiedt den rechter uitdrukkelyk: recht te weigeren, dat is: géén uitspraak te doen in de geschillen die aan z'n oordeel worden onderworpen. Hy moet beslissen tusschen ja en neen, tusschen aanklacht en verdediging, tusschen zwart en wit, plus en minus, zyn en niet-zyn. Hy mag niet twyfelen, mag z'n oordeel niet opschorten, mag niet bescheiden wezen—'t geen hier in veel gevallen zeggen wil: niet eerlyk—hy is eens-vooral veroordeeld tot weten. Op wysgeerig terrein zou deze verplichting 'n ware zotterny wezen, wanneer niet op even wysgeerige gronden kon worden aangenomen dat we behoefte hebben aan zeker soort van dwaling. De natuurkundige dien men vragen zou, waarom alle stof streeft naar vereeniging, mag betuigen dat hy 't niet weet, maar 'n Rechter is verplicht zich te houden voor alwetend en onfeilbaar, of … zich aantestellen alsof hy zich daarvoor hield. Waar-i soms inkompetentie aanvoert, mag en moet ze gegrond wezen op een-of-ander wetsartikel dat z'n jurisdiktie bepaalt, nooit op z'n onwetendheid in 't algemeen, of z'n gebrekkige kennis der byzondere zaak die aan z'n oordeel onderworpen werd. Veel minder nog op z'n zedelyke onvolkomendheid die hem zou kunnen verlokken tot toegeven in partydige liefde of haat. Het is dan ook om redenen van dezen aard dat algemeene wysbegeerte, d.i. 't streven naar waarheid, zoo dikwyls lynrecht tegenover de eischen van een «vak» staat. Maar 't ideaal van volkomendheid dat we moeten trachten te bereiken, noopt ons dit verschil in opvatting zooveel mogelyk te verevenen. Het is daarom onze plicht geen certifikaten van bevoegdheid uittereiken aan valsche specialiteiten, en vooral niemand tot specialiteit uitteroepen, die zeer in 't byzonder ònbevoegd is. Dat 'n Rechter in wiens uitspraak we genoodzaakt zyn te berusten, niet altyd rechtspreekt, is nu eenmaal de verdrietige waarheid, maar onzinnig zou 't wezen, daarom by-voorkeur den zoodanige tot rechter te benoemen, van wien niets of weinig anders ware te wachten dan ònrecht. Onder billardspelers bestaat de gewoonte, by verschil van meening over 't aantal behaalde punten, zich te onderwerpen aan de uitspraak van den markeur «die 't weten moet.» Onze eerbied voor 'n rechterlyke uitspraak heeft geen steviger grondslag dan die «voor bevoegd houden» van 'n droomerig jongetje. Toch verbeeld ik me dat 'n wakkere, oplettende—en vooral 'n intègre!—markeur te verkiezen is boven 'n slaapkop of 'n bedrieger. Wil men deze vergelyking omtrent de kracht en de strekking van konventioneele bevoegdheid verder uitstrekken of hooger opvoeren, dan wys ik op 't zeer rationeele katholieke leerstuk der pauselyke onfeilbaarheid, 'n dogma dat gewoonlyk verkeerd wordt voorgesteld door protestanten en protesteerende katholieken, twee soorten van dissidenten die middel vonden om de ongerymdheid van de geloovery optevoeren tot hoogere machtsverheffing. De tegenwerpingen: «hoe kan een aan allerlei menselyke onvolkomenheden onderworpen mens onfeilbaar wezen?» en: «wat al pausen die dwaasheden beginnen, of zelfs misdaden!» houden geen steek. Het is voor den geloovigen katholiek die de eenheid der kerk bewaard wil zien—en juist dit is de eisch van 't katholicismus—de vraag niet, of zekere persoon dien men paus maakte, dwalen kan, maar: of men niet tot handhaving van dien eigenaardigen eisch der kerk, behoefte heeft aan … 'n markeur, wiens konventioneel gezag den vrede onder de spelers bewaart? De protestantsche wyzigheden op dit punt, komen vry bespottelyk voor in lieden die eerbied hebben voor allerlei apokriefe dokumenten, voor de wartaal van dezen of genen profeet of apostel, en die zich deemoedig buigen onder de uitspraken van CALVINUS, van LUTHER, van den Heidelberger, van de Dorische Synode. «Wy niet roepen hier de modernen, wy erkennen slechts als waarheid wat wyzelf onderzochten en inderdaad voor waar erkennen.» Deze betuiging zou 'n gelukwensch waard zyn, wanneer ze in-allen-opzichte met de werkelykheid overeenkwam, en als ze niet geuit werd door mensen die toch in 't maatschappelijk leven telkens zeer katholiekelyk hun meening onderwerpen aan de opinie van deze of gene specialiteit, zonder nog daarby zich te kunnen beroepen op traditie, op piëteit, op behoefte aan eenheid en tucht, of wat dies meer zy.

De eerste modellen van opgedrongen bevoegdheid waarmee wy in 't leven te doen krygen, zyn natuurlyk de ouders. Zy zyn 't die de kinderboekjes koopen en de onderwyzers kiezen, en worden waarschynlyk dáárom in sommige opvoedkundige werken zoo walgelyk gevleid. De lezer staat verbaasd over al de wysheid en al de deugd van Vader en Moeder, die 'n kind volgens die werkjes in z'n binnenkamer te aanschouwen krygt, en behoorde verwonderd te zyn daarvan zoo weinig waartenemen in de maatschappy. Papa en Mama stelen niet, vloeken niet, liegen niet, twisten niet, lasteren niet en gooien geen glazen in. Of ze de specialiteit van onmenselyke bravigheid zóó ver dryven dat ze niet eten en drinken ook, is me nooit gebleken, maar me dunkt het hoort er zoo by. En … de kunde! Papa weet alles. Hy is de «bevoegde» persoon om alle geheimenissen optelossen, alle duisterheden te verklaren. Niets weet-i niet, precies 'n rechter! Maar, lieve mensen, ziet eens om u heen, en let eens op al de vaders die in hun binnenkamer benoemd werden tot specialiteiten in volkomenheid! Het kind—dat niet om zich heen ziet, en dit dan ook nog niet kàn—schikt zich, en vervalt van de eene specialiteit in de ander. Want weldra neemt de onderwyzer z'n niet zeer bescheiden plaats op den troon der volmaaktheid in. Daarop volgt de dominee, de «bevoegde» persoon alweer om te vertellen wie, wat en hoe God is. Hy weet dit precies, want … hy is specialiteit in onbegrypelyke dingen. 't Is z'n «vak.»

Aldus voorbereid om genoegen te nemen met het leunen op onvaste steunsels, treedt de jonge mens de wereld in, en zou 'n Herkules van zelfstandigheid moeten wezen om vertrouwen te weigeren aan de tallooze voorgangers die hem als «bevoegd» worden aangewezen. Bovendien, wat zou hem tot wantrouwen opwekken? De verkeerde begrippen die hy ontmoet in de Maatschappy, werden ook gedoceerd door de speciaal-bevoegden die deze Maatschappy aan 't hoofd van haar akademien plaatste. De akademien bevestigden wat er onderwezen werd op de school. En die school was redelyk homogeen met de kinderkamer. Zeker, zeker, de specialiteiten in «bevoegdheid» vormen 'n keten die van 't allerlaagste tot het hoogere, hooge en allerhoogste loopt. Bakers, geneesheeren en professors zyn 't volmaakt eens in hun afschuw van de luchtbeweging die ze brandmerken met den vreeselyken naam van «tocht.» De staatsdienaars in hun redevoeringen, en zelfs de Vorsten op hun troon, stellen zich even kundig aan, even edelmoedig, even rechtvaardig en even zedelyk als de heeren Eerhart en Goedman uit de kinderboekjes. Wie aan de praatjes van al die vorsten, bakers, staatsdienaren en dokters geen geloof slaat, is 'n ketter. Maar de jongeling die zoo-even de maatschappy intrad, denkt niet aan de mogelykheid van verzet, ternauwernood aan oorbaarheid van twyfel. Gebiologeerd tot stompzinnig berusten, raakte hy zoo gewoon aan 't meegaan met anderen, dat-i z'n eigen denkvermogen liet braak liggen. De stad zyner inwoning komt voor rekening van Burgemeester en Wethouders, die wel verstand zullen hebben van gemeentebelangen, want … ze zyn de bevoegd-verklaarde personen. De Landsregeering? Wèl, daar is de Koning voor … 'n specialiteit van geboorte. Daar zyn de Ministers voor … specialiteiten van 't goddelyk parvenir. Daar is de volksvertegenwoordiging voor, specialiteit van … ik weet niet wat, maar «bevoegd» is ze, o gewis! Want de Wet verzekert het ons, en die Wet werd gemaakt door specialiteiten van gelyke bevoegdheid als de bevoegd verklaarde vergadering-zelf. Wie dáárna nog twyfelt!

Er blykt alzoo dat wy in dat alles—en in 't laatst genoemde zeker 't minst niet!—te doen hebben met een der fiktien waaraan onze Maatschappy zoo ryk is. Reeds in den aanvang myner IDEEN wees ik op de eigenlyke strekking van 't vertegenwoordigend Regeeringsstelsel. Het tellen van stemmen—iets als 'n zonderlinge poging om intelligentie, kunde, goede trouw, vaderlandsliefde, e.d. te onderwerpen aan den eersten hoofdregel der rekenkunde—zou eigenlyk kunnen beteekenen: «àls we aan 't vechten gingen, zouden wy winnen, want we hebben de meerderheid op onze hand. Laat ons 't vechten voor gebeurd houden, en aannemen dat wy geslagen hebben. Dit wint vermoeienis, tyd, geld en bloed uit.» Zeker! Maar … dan blyft toch altyd de eisch: dat men goed telt, niet waar? En dit doen we met onze konventioneele kiesdistrikjes alweer niet! De fiktie over «bevoegdheid» nu eenmaal niet kunnende missen, behooren wy in die fiktie zoo logisch mogelyk te-werk te gaan. Dat we dit niet doen, meen ik in m'n IDEEN 119, 120, 121, en 133, voldingend bewezen te hebben. Of zou 't er—na eenmaal 'n onjuistheid te hebben aangenomen als punt van uitgang,—niet op aankomen hoe men daarop voortbouwt? 't Is wel mogelyk. Maar dan konden wy onze kiezery vereenvoudigen of, beter nog, geheel achterwege laten, en de beslissing over «bevoegdheid» tot Lands-en Gemeentbestuur overlaten aan 't lot.[7] Dit zou ook hierom misschien de voorkeur verdienen, omdat we dan met gelyke kans op goeden uitslag —waarschynlyk zelfs met grooter kans—tyd en inspanning konden sparen, om nu niet te spreken, van den wrevel, van de zwartmakerij, van al 't onzedelyke dat 'n onvermydelyk gevolg is van onze tegenwoordige kiesmethode. Het heeft er veel van, of de Wetgever bevreesd was dat het Volk hooger zou staan dan z'n gemachtigden, en middel zocht om by 't verlagen van 't peil der Kamer, tevens de burgery te demoralizeeren. En nog beweren sommigen dat de fabrikeurs der achtenveertigste grondwet hun doel niet zouden bereikt hebben! Allons donc!

* * * * *

Men zou kunnen aannemen dat er voornamelyk drie manieren zyn, waarop 'n certificaat van bevoegdheid—dat is 'n aanstelling tot specialiteit—wordt uitgereikt:

1. Door de spontane publieke opinie, mits zich uitdrukkelyk in een niet al te onbelangryk feit openbarende, daar 't anders twyfelachtig blyft wat eigenlyk de opinie van zoo'n publiek is?

2. Door 'n officieel gereglementeerd deel van de publieke opinie, zooals byv. geschiedt naar aanleiding onzer Kieswet.

3. De par le Roi, d.i. door den luim van 'n Minister die z'n eigen gezag te danken heeft aan 'n fiktie omtrent «bevoegdheid

De vraag doet zich op, welke van deze drie manieren 't meest vertrouwen verdient, dat is 't minste wantrouwen. Ik weet 't waarlyk niet.

De kompetentie van 't algemeen, van «Men» werd nogal dikwyls te-schande gemaakt. Wie den loop der «publieke opinie» in de Geschiedenis nagaat, zou byna op 't denkbeeld komen dat ze per se onjuist is. Maar ook dit is 't geval niet, want by de aanhoudende eb en vloed der meeningen, bestaat altyd zekere kans dat «Men» somtyds juist oordeelt, al blyft het gewaagd dat monster daarvoor grooter eer toetekennen dan de kansrekening meebrengt. En … die kans is zeer nadeelig, want het aantal en de kracht der invloeden die de publieke meening 'n verkeerden weg opstuwen, is zeer groot. Onwetendheid en vooroordeel spelen daarby 'n groote rol. Eens zeide iemand die door 't publiek van zyn tyd voor niet-bevoegd verklaard werd om meetespreken —een vermeende onbevoegdheid die zoo ver ging, dat «Men» hem op wreedaardige wys 't zwygen oplegde—JEZUS dan heeft gezegd: «niemand geldt voor profeet in z'n vaderland.» Deze uitspraak is nietvereerend voor de vaderlanden, en te minder omdat er rechtstreeks uit volgt dat zy die in hun vaderland wél geacht, en dus aan 't hoofd der zaken geplaatst worden, geen profeten zyn. Wie dit goed bedenkt en konscientie heeft, zou er tegen opzien de hand te reiken aan een met algemeene stemmen verkozen Gemeenteraadslid, en zeker den moed niet hebben om 'n Kieswet te maken.

Toch hebben oppervlakkige denkers dien moed gehad! Om te weten te komen wie «bevoegd» zyn om 't Volk voortegaan, sloegen zy den weg in, die rechtstreeks op verregaande ònbevoegdheid uitloopt. Als ware het om de kwaal zooveel mogelyk te verergeren, heeft men 't aantal verkeerd oordeelende vaderlanden in kiesdistrikten gesplitst, en alzoo de fouten die zoo'n Vaderland aankleven, zooveel mogelyk vermenigvuldigd. Die fouten immers zyn: onkunde, brood-roem-en opinienyd, in één woord: Klein-städterei. Het ligt in de rede dat de «Vaderlanden» hun kandidaat-profeten van te naby zien, en dat dit gebrek te grooter wordt naarmate men de grenzen van zoo'n vaderland inkrimpt, gelyk by ons Distriktenstelseltje dan ook inderdaad het geval is.

* * * * *

Ik gis dat deze laatste opmerking sommigen zal voorkomen als 'n parafraze van 't bekende spreekwoord over groote mannen en kamerdienaars, en dit noopt me tot de uitdrukkelyke verklaring dat ik hier geheel iets anders bedoel. Om dit verschil van meening duidelyk te maken, moet ik me nu wel even met dien vervelenden deun bezighouden. Na den weerslag dien ik jaren geleden reeds daarop gaf en dien ik voor afdoende hield, (IDEE 689) kom ik daarop niet voor m'n genoegen terug. Maar 't moet wel, omdat me telkens blykt dat er nog altyd 'n gansche bende kamerdienaars heel wanhopig loopt te zoeken naar 'n groot man. Eilieve, als die verweesde lakeien-zelf eens die funktie op zich namen? 't Is waar dat ze dan zouden moeten beginnen met 'n eind te maken aan hun knechts-praatjes. De gaping die daaruit te voorzien was op de programmen van Letterkundige Kongressen, moest dan maar in 's hemelsnaam worden aangevuld met iets degelyks.

Voyons! De grootemannigheid schynt … 'n hoedanigheid te wezen. We slaan de definitie over, en nemen gemakshalve aan, dat de jammerende knechts 't daarover onderling eens zyn. Ook dat ik 't met hen eens ben … wat veel gehoopt is, want: 1. Ik weet niet wat men onder 't woord «groot man» verstaat. 2. Als ik 't wist, zou ik zeker moeite hebben m'n opinie duidelyk te maken aan 't volkje dat gewoon is in 't kleine te wroeten. 3…. maar genoeg! We zullen ons aanstellen, alsof ik, wy, zy, allemaal verstand hadden—en 't zelfde verstand—van grootemannigheid. Deze hoedanigheid dan moet het eigendom, het kenschetsende, de eigenaardigheid wezen van 'n mens, niet waar? Men kan dus zeggen: «A is 'n groot man» even als men verzekeren kan dat B blond is. Van welke kracht nu zou de tegenwerping wezen: niemand is blond voor z'n keukenmeid? Beteekent dit, dat de blondheid van B in twyfel getrokken of ontkend wordt? Me dunkt dat deze twyfel of ontkenning zich anders moest openbaren. Het aanduiden immers van 'n byzondere personensoort die B's blondheid niet waarneemt of erkent, schynt de meening in zich te sluiten dat B wèl blond is voor alle anderen. Wat is hier de bedoeling van 't woordje: voor? Men is iets, of men is 't niet. Wil 't hier zeggen: «in de oogen van?» Maar … de schuld kan aan die oogen liggen, en 't spreekwoord moet dan veranderd worden in: «keukenmeiden kunnen geen blond zien.» Arme keukenmeiden! Of zou de wysheid der volkeren bedoeld hebben dat er geen blonde menschen zyn? Waartoe dan die keukenmeid er bygehaald? Men zou toch niet in 't hoofd krygen te zeggen: «voor die, die of die bestaat er geen cirkelkwadratuur, geen perpetuum mobile» alsof die dingen er wèl waren voor 'n ander.

Een welwillende huisgenoot die me over den schouder ziet, blaast my in 't oor dat ik hier moet afstappen van de letterlyke beteekenis, om overtegaan op den vermoedelyken zin van 't spreekwoord. Goed! Die zin zal wel wezen dat zoo velen—of allen?—die voor groot doorgaan, van naby bezien …

Het doet me leed, hier 't woordje «van naby» te moeten gebruiken, omdat juist in de verondersteld-onjuiste opvatting dáárvan, de oorzaak ligt die me zoo-even deed verklaren dat ik in myn redeneering over de fout van te naby zien, geenszins het oog had op dat armzalige keukenmeiden-spreekwoord. Ik zal dus wel genoodzaakt wezen daarop terugtekomen, en neem voorloopig dat «van naby zien» in den gewonen zin.

«Velen—of allen?—die in de verte groot schynen, blyken van naby gezien niet groot te wezen?»

Is dit de beteekenis van 't spreekwoord? Dan begryp ik 't alweer niet. Met dat «schynen» immers hebben we niets te maken. «In de verte zien» zou dan, beter uitgedrukt, beteekenen: verkeerd zien. En: «van naby beschouwd» had de kracht van: goed beschouwd. De heele zin kwam dan hierop neer, dat 'n zaak, terdege bekeken, zich anders voordoet dan verkeerd gezien. Het is voor de wysheid der volkeren te hopen dat er in dat spreekwoord 'n eenigszins dieper bedoeling ligge. Om met alle welwillendheid die bedoeling optesporen, doen we nu ook van 't ontleden der overdrachtelyke beteekenis afstand, en brengen de zaak over in het stellige, in 't konkrete. De zin van 't spreekwoord zou kunnen zyn:

«Wie in 't publiek menslievendheid predikt, is van naby gezien—d.i. alweer: goed beschouwd—'n barbaar.»

Dat «prediken» hoort er niet by. De vraag is niet wat iemand preekt, spreekt of verkondigt—tenzy in de gevallen waar 't woord de waarde van 'n daad heeft—we moeten weten wat de man is, die men onderwerpt aan de vuurproef der beschouwing van naby. Voor-zoo-ver alweer dat «van naby» beteekent: terdege, nauwkeurig, zouden we hier alzoo de volkerenwysheid betrapt hebben op 'n orakelspreuk van de soort als: wie zoo is, is anders. Q. A.

Om onze welwillendheid ten aanzien van 't kreupele praatje ten top te voeren, willen we nòg 'n poging wagen om het te verheffen tot iets begrypelyks. Laat ons aannemen dat wy in de toepassing mogen gebruik maken van mitigeerende bywoordjes. Het gebeurt wel eens dat iemand die … enz. «Somtyds is de man die zich in 't publiek voordoet als … enz. Er zyn voorbeelden van moralisten, wier zeden … enz.

Alweer klaag ik hier over gebrek aan diepte. Men zal erkennen, hoop ik, dat al die praatjes neerkomen op de palisse-waarheid dat sommige zaken en personen wel eens anders zyn dan ze schynen. 't Was waarachtig wel de moeite waard, aan dit fysiologisch verschynsel 'n spreekwoord te wyden! En toch, dat spreekwoord heeft 'n zin, 'n reden van bestaan. Waarlyk 't is niet zonder oorzaak—niet zonder bekende oorzaak ook—dat het leeft, groeit, bloeit, van aanhangers overvloeit, en vruchten draagt. Vruchten en redevoeringen! Die oorzaak, lieve lezer—we willen hopen dat geen kongreslid zich de zaak te veel aantrekke—die oorzaak is … dat er te veel kamerdienaars in de wereld zyn … ziedaar! Hun treurigheid over gebrek aan groote mannen, is gegrond, waarachtig! Men hoeft nu juist geen jakhals te wezen om meetehuilen als men die interessante diertjes hoort janken en redevoeren over de schaarste van leeuwen.

Wie goed is, is goed, onverschillig op welken afstand men hem beziet. Want z'n eigenaardigheid ligt in hemzelf, en hangt niet af van 't standpunt des waarnemers. De vraag of men van 'n uitstekend persoon eischen kan dat-i ook in 't dagelyks leven hoog sta, is kinderachtig. Met of zonder permissie van den jakhals, is de leeuw 'n leeuw. Met of zonder eischen of vergunningen van dien aard, is 'n appel 'n appel, 'n boom 'n boom, en 'n «groot man»—wat dan ook de beteekenis van dit woord moge zyn—'n groot man. Het is hem geheel onverschillig of dit door z'n kamerdienaar gevorderd of erkend wordt. Hy zou niet anders kunnen zyn dan hy is, d.w.z. uitstekend. En dit zou zoo blyven, al stond men hem in kongresverhandelingen genadiglyk toe, in z'n binnenkamertje kleiner te wezen dan op straat. Zoo'n vergunning teekent overigens de aspiratien van 'n knecht, die z'n voorzorgen neemt tegen den tyd dat men ook hem eens—by groote vergissing dan—voor 'n heer zal aanzien.

Wie goed is, is goed, binnen'shuis en buiten'shuis. Hy is goed voor z'n medeburgers, voor z'n echtgenoot, voor z'n kinderen, voor z'n vrienden, voor z'n dienstboden. Wie er anders over denkt, mag zich ook wel gaan verbeelden dat 'n goudstuk in 't donker zich amuzeert met in 'n cent te veranderen. Feilen, fouten, vergissingen, dwalingen … wie heeft ze niet? Maar de bewering dat 'n «groot man» in z'n byzonder leven op-eenmaal zou inkrimpen tot iets kleins … dat z'n adel by voorkomende gelegenheid eventjes zou overgaan in gemeenheid … zie, dit is 'n uitvindseltje van den zwerm niet-groote mannen die middel zoeken om hun kleinheid en gemeenheid te doen voorkomen als adel. Ze meenen zich tot Chimborassa's te maken door 't uitkramen van de gissing dat er zeker wel hier of daar 'n spleetje zal wezen in den Montblanc. Hun praatjes, al of niet steunende op 'n zinneloos spreekwoord, zyn oneerlyk, en moeten hoofdzakelyk strekken om den tol van hulde uittewinnen, dien ze hun meerdere schuldig zyn. Wie wat wil afdingen op den roem van COLUMBUS, moet bewyzen dat hy Amerika niet ontdekte. Niet hopen, wenschen of veronderstellen, niet verzinnen of insinueeren, niet lasteren vooral, dat de knecht van dien «grooten man» zeker wel iets kwaads van hem zal geweten hebben. Naar de keuken met zulk gewawel!

* * * * *

Tot m'n groot genoegen neem ik nu afscheid van dat spreekwoord en die huilende kamerdienaars. De zin waarin ik vóór die uitweiding 't woordjen al te naby gebruikte, was ànders. Ik bedoelde de optische fout die 't gevolg is van te naby zien. Even als er tot het juist beoordeelen van schilderstukken, zeker punt is waar de toeschouwer zich plaatsen moet, zoo ook behoort de mens te worden waargenomen op zekeren afstand, klein of groot naarmate van de breedte der trekken waarmee de Natuur z'n ziel geteekend heeft. Wie dezen regel uit het oog verliest, zou gevaar loopen een Rembrand grof te vinden en miniatuurtjes in 't geheel niet te zien. Maar de hoedanigheden van 'n mens zyn ingewikkelder dan van 'n schilderstuk, en daarom is de bepaling van 't juiste standpunt waarop de beoordeelaar zich te plaatsen heeft, zooveel moeielyker. Bovendien … die beoordeelaar is soms, dikwyls, altyd misschien, eenigszins mededinger. Z'n eigen fouten, en niet altyd die van 't beschouwd voorwerp, staan dikwyls zyn oordeel in den weg.

Met die fouten bedoel ik nu niet den voor 't oogenblik afgehandelden nyd, al blyft het waar dat die pest 'n hoofdrol speelt in de antichambre van de wereld. Neen, met den besten wil en zonder boosaardig opzet, is de meerderheid—die uit den aard der zaak niet uit «groote mannen» bestaat—tot onjuist oordeel gedwongen, omdat zy 'n verkeerden maatstaf aanlegt. De teleurstelling by het van te naby zien der personen die voor uitstekend doorgaan, behoeft volstrekt niet gegrond te wezen op hun verkeerdheden. Ze is vaak, of kàn zyn, 'n gevolg hunner afwyking van 't ideaal dat de beschouwer zich zeer willekeurig van uitstekendheid geliefde te vormen, 'n ideaal dat—vreemd genoeg voor den allergewoonsten bron waaruit het voortvloeit—steeds zondigt door opgeschroefde òngewoonheid. A verneemt, en gelooft voorloopig, dat X 'n «groot man» is. A, géén «groot man» waarschynlyk, eet 'n broodje met z'n mond. Hy krygt X te zien van naby, van te naby, ontdekt dat X even als hyzelf, z'n mond gebruikt tot het orberen van 'n broodje … weg is de illuzie! De «groote man» had, om op de hoogte van A's kinderachtige voorstelling te blyven, met z'n neus moeten eten, of geen broodje moeten eten, of in 't geheel niet eten … weet ik, 't! De hier bedoelde fout in 't schatten van uitstekende mensen, wordt vry algemeen erkend, zoodra zich die uitstekendheid slechts in maatschappelyken rang openbaart, en dan weet men ze zelfs te gebruiken tot onderhoud of versterking van tucht. Keizers, Koningen, Bevelhebbers houden zich op 'n afstand. Zy vertoonen zich niet en robe de chambre, geenszins altyd omdat ze fouten te bedekken hebben, maar omdat veel ondergeschikten te laag staan om te waardeeren wat natuurlyk en eenvoudig is. De nogal verdachte dood van den laatsten CONDÉ—wiens nalatenschap in de familie kwam van LOUIS PHILIPPE—had op de stemming van 't groot en klein gemeen, 'n minder nadeeligen invloed dan de burgerlyke paraplui waarmee die Koning zich vertoonde in de straten van Parys. De épiciers en prud'hommes, de Kappelluî, vinden 't vreemd en derogeerend, dat iemand die géén épicier of prud'homme is, géén Kappelman, in iets op hèn gelijkt, en ze wreken zich over hun botheid door den zoodanige alle uitstekendheid te ontzeggen. Wie alzoo door de meerderheid wilde aangezien worden voor 'n «groot man» zou zich op 't voorbeeld van allerlei goden, moeten hullen in 'n wolk van geheimzinnigheid. Hy behoeft niet te vliegen, mits men maar niet ziet dat-i loopt. Hy behoeft geen wonderen te doen, mits slechts z'n vader niet bekend zy als timmerman te Nazareth. Neen … hy moet geen vader gehad hebben. Dat is onmogelyk, dat is onmenselyk, dat kan voor «groot» doorgaan, dat is het ware! Arme JEZUS, hoe kondt gy u voorstellen de mensen begeerig te maken naar uw «Koningryk der Hemelen» gy dien men op aarde gezien had, koornaren plukkend met de hand … als 'n mens? Gy die honger en dorst had … als 'n mens? Gy die geschreid hebt … als 'n mens? Neen, neen, 't spreekt vanzelf dat de menigte die brevetten uitreikt van «bevoegdheid» u niet kon aanstellen tot specialiteit in hoogere dingen! Men heeft u gegeeseld en gekruizigd …

Goddank, dat al dat volkjen u nooit zag lachen! Als gy u zóó ver vergeten hadt, lieve JEZUS, waarlyk men had u den verheffenden marteldood op Golgotha niet gegund, en 't ware uw lot geworden gelykenisjes te verzinnen om de kinderen van Schmoel te amuzeeren.

MVIII.

Ik heb in een der vorige hoofdstukken betoogd dat specialiteiten geen nut stichten in de Volksvertegenwoordiging, en dat alzoo het aanpryzen en kiezen der zoodanigen nadeelig werkt. Doch ook meer rechtstreeks dan door niet nuttig te zyn alleen, wordt het gehalte eener Vergadering door dat verderfelyk specialismus verlaagd. Specialiteiten, ten-arbeid gesteld buiten hun bepaalden werkkring, veroorzaken pozitief kwaad.

De man die zich uitsluitend toelegt op één vak, is van het gewicht daarvan doordrongen, en wordt beheerscht door de neiging dat gewicht te overschatten. Een specialiteit is uit den aard der zaak pedant of erger. De zeeman minacht den onnoozele die niet weet dat men «aan» dek zegt, in-plaats van «op» dek. De industrieel staat verbaasd over de hoofdigheid van den militair, die in 't belang van 'n zoogenaamd defensie-stelsel, andere inzichten dan de zynen voorstaat omtrent de richting van 'n spoorweg. De geleerde ergert zich aan den financier wiens bekrompenheid zekere uitgaaf voor 'n wetenschappelyk doel, wil schrappen van de begrooting. De grondeigenaar—specialiteit van ryk-zyn, ryk-blyven en ryker-worden—klaagt over 't Jacobinisme van den staathuishoudkundige die op herziening van 't kadaster aandringt. De fabrikant roept wraak over de voorstanders van lage tarieven. Enz. enz.

Wordt het algemeen belang door dien nayver gebaat? Dit is onmogelyk. We hebben in zulke Vergadering niet meer te doen met de veronderstelde som van opgetelde intelligentien, het Volk moet zich behelpen met de verschillen die er overblyven na wederzydsche neutralizatie van kracht, en ook de waarde van deze restantjes wordt op hare beurt door ongelyksoortigheid en divergentie vernietigd.

* * * * *

Het is ten-onrechte dat men de onderscheiden takken van wetenschap in twee hoofdsoorten verdeelt, waarvan de eene den naam exakte wetenschap draagt, in-tegenstelling naar 't schynt van de andere welker benaming nog moet worden uitgevonden. Men durft niet zeggen; inexakt en deze schroom is te pryzen. Want inexakte wetenschappen zyn er niet. Alleen ons weten is inexakt, doch het ideaal der wetenschap laat geen onjuistheid, geen transaktie met omstandigheden, geen fiktie, en dus geen parlements-waarheid, toe. Een maatregel omtrent Volksbelangen is evenzeer òf goed òf niet goed, als 't produkt van twee cyfers al dan niet zeker getal uitmaken. De aan laatstbedoelde slotsom toegekende nauwkeurigheid, heeft slechts 'n uitsluitende beteekenis in-zooverre wy daarmee de wyze aantoonen waarop we tot ons rezultaat geraakt zyn. Elk ander feit, op-zichzelf beschouwd, is even exakt. Het Zyn liegt niet, onverschillig of wy ons in-staat voelen de bekende eigenschappen daarvan nauwkeurig te schryven, dan of ze ons vermogen van voorstelling en uitdrukking te-boven gaan. Tegenzin in de moeite om ingewikkelder zaken tot klaarheid te brengen, noopte ten- alle-tyde den mens tot het byeenroepen van medewerkers, 'n fout waarvan hy zich niet schuldig maakt zoolang het de oplossing geldt van eenvoudige vraagstukken. Het doet nu niet ter-zake of deze eenvoudigheid bestaat in 't gering aantal faktoren, in de vanzelf- sprekende geleidelykheid waarmee de syllogismen elkaar opvolgen, of in de stiptheid der terminologie die ons by zoodanige oplossing ten-dienste staat. In de beide laatste gevallen sluit uitgebreidheid geen eenvoud uit.

Vraagstukken nu over maatschappelyke belangen zyn, uit den aard der zaak, in zekeren zin niet eenvoudig. De slotsom moet worden getrokken uit 'n zeer groot aantal faktoren die niet altyd met elkander in 'n verband staan dat terstond in 't oog valt, en welker terminologie gewoonlyk zeer vaag is. Welke dolzinnigheid beweegt nu den mens, ter bereiking van 'n moeilyk doel 'n weg met hindernissen te kiezen, en slechts dan de voorkeur te geven aan gemakkelyker methode, indien er 'n punt moet bereikt worden, waarheen de toegang niet kan worden versperd?

Geen vakman, hoe ook beheerscht door pedanterie, eigenbelang of opgedrongen partygenootschap, heeft het in z'n macht den mathematikus te belemmeren in 't stipt volgen van z'n logischen gedachtenloop. Toch kiest de wiskundige, tot het oplossen van 'n probleem, de eenzaamheid. Kollaboratie komt hem bespottelyk voor, al zy hy dan overtuigd dat niemand in staat is hem te doen wankelen in 't vertrouwen op wiskunstige zekerheid.

Tot het onderzoeken evenwel van die andere problemen, omgeeft men zich met 'n tal van elementen die 't nasporen van waarheid vierkant in den weg staan. Ik meen in IDEE 334 de hoofdoorzaken dezer blykbare ongerymdheid te hebben aangewezen, doch al moeten wy ons in het onvermydelyke schikken, het blyft toch plicht de afwijking van waarheid, die uit dezen dwang voortvloeit, niet noodeloos te vergrooten. En dit doen wy, door aan specialiteiten plaats te geven in onze Volks- vertegenwoordiging.

Ik zeide: in schynbare afwyking. Werkelyke afwyking van 'n wiskunstige waarheid is onmogelyk. Kan de wiskunde het helpen, dat we gewoon zyn ons nog onjuister uittedrukken dan de gebrekkige taal toelaat? Het geheel zal gelyk zyn aan de som der deelen, indien die deelen op de tot bereiking van dit doel noodige wyze worden samengevoegd. Misschien zou de stiptheid nog nadere omschrijving vorderen, doch ik hoop begrepen te worden door ieder die weigeren zou 'n handvol gebroken glas voor 'n vensterruit, of 'n hoop bouwmaterialen voor 'n behoorlyke woning aantenemen (IDEEN 2, 4). De cohaesie der deelen, en wel 'n bepaalde cohaesie, is noodig tot het vormen van 't gewenscht of bedoeld geheel.

Wat wordt er van dezen eisch, indien de deelen instee van elkaar aantehangen en te kompleteeren, elkander tegenwerken, in den weg staan, vernietigen?

Reeds in den aanvang myner IDEEN betuigde ik gestemd te zyn tegen parlementaire regeeringsvormen (IDEE 2) doch tevens dat ik voorloopig niets beters wist in de plaats te stellen. Zoolang lafhartigheid en wantrouwen 'n hoofdrol spelen in de geschiedenis der mensheid, zal de routine-staatsman zich onwysgeerig tevreden stellen met dergelyke pogingen om by mangel aan waarheid, iets te geven waaruit soms 'n berusting wordt geboren die op rust gelykt (IDEE 7).

Soms. Misschien moest ik zeggen: zelden. Sporadische revolutien en epidemische ontevredenheid—beiden vooral niet minder frekwent onder konstitutioneele regeeringsvormen dan in werkelyke monarchien—bewyzen de ondoelmatigheid van 't vertegenwoordigd stelsel. Zy die dit stelsel voorstaan, gaan uit van 'n stelling die niet alleen hùn onaantastbaar voorkomt, maar die evenzeer door de tegenstanders wordt geëerbiedigd: een volk heeft het recht zichzelf te regeeren.

Maar, eilieve, de monarchalen zeggen niet anders. Of althans, waar ze iets anders beweerden, zouden ze slechts blyk te geven hun eigen katechismus niet te kennen. Wel zeker, 't Volk regeert zichzelf! De vraag is maar of het deze macht en dezen plicht delegeert op één persoon, op duumviren, op driemannen, op tetrarchen, op decemviri, op zeventig, op drie-vierhonderd, of op meer? En tevens op welke wys de tot het uitvoeren van den regeerplicht te kiezen personen worden aangewezen? ALEXANDER maakte zich, naar 't fabeltje luidt, op z'n sterfbed wat al te gemakkelyk van de zaak af, door op de vraag wie hem opvolgen zou, heel naïf te antwoorden: de waardigste!

Dit zou gewis voor alle belangen het beste zyn, en wie zich tegen zoo'n diepzinnige uitspraak verzet, verdient niet door den waardigste geregeerd te worden.

Maar … wie is de waardigste? Dàt is de vraag. Ik stem voor ik. Gy voor gy. Hy voor hy. Altemaal ikheden. De heele natie bestaat op eenmaal uit waardigsten.

Dit eenmaal aangenomen, zou er moeten worden uitgemaakt, wie onder al die waardigsten de állerwaardigste is? En daarop volgt weer 'n gelyke stryd, waarin natuurlyk zelfkennis en bescheidenheid de gewone treurige rol spelen.

Van stryden moe, is men bedacht op vergelyk. By-gebrek aan middelen om uittemaken wie van al die allerwaardigsten de méést-allerwaardigste is, wordt er voorgesteld dezen of genen daarvoor te houden. Wien? Den sterksten arm. Den besten schutter. Den snelsten looper. Den langsten. Een dwerg. Den diksten. Een skelet. Den ryksten. Een bedelmonnik. Een man, den oudsten. Een vrouw, de schoonste. Een kind, het onnoozelste, Een waarzegger. Een profeet. Een derwisj. Een fakir. Iemand die raadsels oplost. Een ruiter wiens paard na 'n bepaald oogenblik 't eerst hinnikt …

Nieuwe stryd!

«Myn fakir is haveloozer dan de uwe.»

«Myn skelet rammelt uitstekend.»

«Zie myn kandidaat eens, hy loopt de zon voorby.»

«Gekheid! Ik stel u hier iemand tot koning voor, die twee etmalen achtereen redevoeren kan, zonder neussnuiten of kuchen … hy spreekt over al wat je wilt.»

«Alles verkeerd! We moeten 'n koning hebben die tooveren kan, dat is 't ware.»

«Ziehier 'n man die wèl is met God, en dus baasspeelt over de elementen. Als we hem op den troon zetten, zal 't altyd mooi weer zyn.»

Enz. Enz. Neen, nog niet: enz. Eerst volge hier de parabel over koning KRATES in de Minnebrieven, waarnaar ik verwys.

Hoe nu ook de stryd eindigde, steeds blyft het waar dat het Volk-zelf altyd beginnen moest met 'n daad van souvereiniteit, al bestond dan ook deze handeling in 't eens-vooral afstaan van gezag. De aanhangers van het droit divin vergeten gewoonlyk dat het goddelyk recht zich nooit zou gehandhaafd hebben zonder den eerbied der meerderheid voor dat recht, en de voorstanders van stemmen-tellen zien voorby dat hun methode letterlyk dezelfde is als die waardoor het droit divin in de wereld werd gebracht. De stembriefjes uit SAMUELS tyd zyn verloren gegaan, doch men mag aannemen dat hy ruggespraak had gehouden met de kiezers van die dagen, toen hy in z'n tiende hoofdstuk—en in 't zestiende nogeens!—den uitslag van 't plebisciet verkondigde met olie. Wie dit betwyfelt, en meent dat SAMUEL 't Volk ditmaal niet raadpleegde, moet aannemen dat hy dan stilzwygend zich bewust was depozitaris van den algemeenen wil te zyn, of althans dat-i zich verzekerd hield de meerderheid op z'n zy te hebben. En dit moet hem dan by vorige gelegenheden gebleken zyn, daar 'n politikus van zyn gehalte z'n staatsgreep niet ligtvaardig zou blootstellen aan mislukking. Hoe men 't dus neemt, altyd gaat het gezag van 't Volk uit. Het verschil tusschen de beide hoofdrichtingen der begrippen over Regeeringsvorm, doet denken aan 't onderscheid tusschen thee en koffi, dat—naar thans beweerd wordt—grooter schynt dan 't inderdaad is, daar die dranken volgens chemische onderzoekingen uit dezelfde grondbestanddeelen zouden bestaan.

ALPHONSE KARR heeft 'n gelyksoortige waarheid aangeroerd in z'n uitspraak: «hoe ge ook de zaak keert, wendt, draait, wyzigt, regelt, vormt, of vervormt il y a toujours un monsieur en habit noir qui décide.» Zóó is het! Men moet altyd terecht komen by 'n individu, al zy 't dan dat de zoodanige met meer of min recht verondersteld wordt optetreden in naam van velen. De natuur wil niets weten van onze fiktien. Zonderling en inkonsekwent is 't echter dat juist de voorstanders van den parlementairen regeeringsvorm, zy die 'n afschuw voorwenden van alleenheersching, 'n allerzotst individualismus voorstaan by 't aanpryzen van specialiteiten. Verkrachte logika wreekt zich altyd sarkastisch door haren mishandelaar de ongerymdheid voortehouden, waarop z'n vergryp tegen de rede uitloopt, en wy vinden hiervan 'n aardig voorbeeld in de gevolgen der specialiteiten-manie.

A is 'n monarchische herder, en mishandelt z'n schapen. Dat komt van die alleenheersching!

L'Histoire nous apprend Qu'en de tels accidents L'on fit

On fit … Wat? Wel 'n revolutie! Alle schapen liepen tehoop en maakten 'n grondwet.—Of 't in '48 geschiedde, weet ik niet, maar 't jaar doet niet tot de zaak.—Volgens die grondwet dan, zouden alle schapen verheven worden tot herders, en A gedegradeerd tot schaap. Niet één princeps of voorste zou voortaan de kudde leiden, drenken en scheren, maar allen zouden allen

Dat ging niet! Ieder wou voorgaan. Ieder wou 't eerst drinken, of liever nog, alleen. Ieder had lust in scheren, maar niemand wou geschoren worden. Bovendien, alles blaatte door elkaar, en de ooien konden haar eigen lammeren niet verstaan. Men had de regeering van dien eenling A allerdrukkendst gevonden, ondragelyk zelfs, maar bevond zich niet veel beter onder de tirannie van allen over allen. Hier volgt het vertegenwoordigd stelsel:

—Indien we eens niet allen tegelyk blaatten, riep 'n politieke nieuwlichter, doch 't recht daartoe slechts toekenden aan … zeventig?

—Reaktie! riep 'n opgewonden lam dat niet vry was van karbonarisme.

—Geenszins, antwoordde de eerwaardige hamel van wien 't voorstel was uitgegaan, en die veel wol was kwytgeraakt onder 't regime der panarchie. Ik verzeker u op m'n republikeinsche eer, dat het volstrekt niet in m'n bedoeling ligt, terug te keeren tot de alleenheersching. Eens-vooral, weg met A! Hy is ontherderd en blyft ontherderd!

—Weg met A! blaatte de kudde.

—Ik ben 't volkomen met u eens. Dit is dus eens-voor-al afgedaan.
Maar, geëerde schapen, indien wy eens …

Zie verder het kiesreglement in alle beschaafde weiden. Het werd onder 't uiten van ontelbare weg met A's en leve de konstitutie's aangenomen. Men adverteerde, kuipte, hemelde op, maakte verdacht of zwart, men prees en vergoodde, al naar de programmen der partyen dit meebrachtten. By 't aanbevelen van kandidaten werd telkens deze of gene byzondere hoedanigheid van 'n schaap onder de aandacht der kiezers gebracht. Mooi blaten en veel wol waren de gewone gronden van predilektie. Maar ach, de kudde prospereerde niet. Ieder was ontevreden. Houlette en hamelbel gingen gedurig over van den een op den ander, en men begon weldra intezien dat niet elke verandering …

—Terugkeeren tot A? Nooit!

—Nooit, nooit, nooit!

—Liever Turksch, dan …

—Weg met A!

Zeker, dit blyft zoo! We houden vast aan 't vertegenwoordigend stelsel. Maar we moeten anders kiezen. Ik stel voor geen schapen aftevaardigen dan die byzonder geacht zyn in hun distrikt.

Akklamatie. Voorts:

—Weg met A!

—Zeker, weg met A! Maar we moesten ons doen vertegenwoordigen door iemand die verstand heeft van scheren. Er zyn leden in ons parlement die nooit 'n schaar in de poten hebben gehad. Dit is 'n groote fout, waarde medeschapen. Sedert de dagen van dien vervloekten A …

—Weg met A!

—Precies, weg met A! Sedert den tyd van dien tiran worden er veel zaken niet behoorlyk behartigd, 't Eene schaap wordt in 't geheel niet geschoren, en 't andere alle weken. Jazelfs worden er sommigen tegen alle recht en rede … gevild. Vanwaar komt dit geachte medeschapen? Doodeenvoudig hiervan dat wy in onze Vertegenwoordiging gebrek hebben aan … deskundigen, aan schapen van 't vak. Op die wys voortgaande, zouden we niets gewonnen hebben door het verdryven van den geweldenaar …

—Weg met A!

—Tot in alle eeuwigheid, weg met A! Om alzoo in ons parlement het ware echte oude onvervalschte scheer-systeem gehandhaafd te zien, heb ik de eer u 'n kandidaat voortestellen, die van 't scheren 'n bepaalde studie heeft gemaakt. In de dagen der dwingelandy …

—Weg met A1!

—Gewis. Onherroepelyk weg met den vervloekten A! Dit ben ik volkomen met u eens … doch laat ons voortgaan, de stembus wacht. Myn kandidaat heeft overvloediglyk bewyzen gegeven dat hy scheren kan. Bovendien is hy zeer geacht in z'n distrikt. Maar dit is nu byzaak. Hoofdzaak is dat hy uw Vertegenwoordiging zal kunnen voorlichten by elke epineuze scheerkwestie. Hy zal de wankelende overtuigingen steunen, de verdwaalden terechtbrengen, de styfhoofdigen overreden, de onwetenden onderrichten, den weerspannigen ontzag inboezemen … alles door 't prestige van z'n eigenaardige kunde. Wat allen te-zamen niet weten, weet hy alleen. Wat der algemeene aandacht ontsnapte, is zyn byzonder eigendom. Wat anderen duister is, ligt hem klaar voor oogen. Kiezers, bedenkt het gewicht uwer stemming! Erkent dat onze weide dringend behoefte heeft aan zulk 'n schaap in de Vertegenwoordiging. Op dus, op! Allen ter stembus, en kiest, blatend uit onbeklemde borsten: leve de konstitutie …

—Weg met A!

—Voorzeker … weg met A! Kiest als uit één bek, onder 't aanheffen van weidelievende kreten, tot uwen parlementsbelhamel …

Wien denkt ge, lezers? Wèl, den ouden weggejaagden A., die de voorpoort was uitgeworpen, maar in hoedanigheid van Specialiteit weer wordt binnengesmokkeld door 'n achterdeurtje.

* * * * *

De geschiedenis der meeste dwalingen beweegt zich langs den omtrek van 'n cirkel. Op despotisme volgt ontevredenheid, verzet, omwenteling. Uit dit alles ontstaan allerlei archien die—dikwyls vrij onjuist—den naam van republiek dragen. Hoe ook de vorm zy die de alleenheersching verving, ze wankelt gedurig tusschen dwingelandy en regeeringloosheid. In 't eerste geval is de kring reeds terstond vry geleidelyk gesloten, tenzy men groot onderscheid make tusschen de tirannie van 'n enkele, van eenigen, of van velen. By anarchie werpt men zich in de armen van 'n persoonlykheid die zich byzonder heeft toegelegd op 't stichten van orde, eener gezags-specialiteit die al zeer spoedig nolens volens —want niemand is tiran voor z'n genoegen—het voorbeeld volgt van den despoot dien men wegjaagde.

Moet dit altyd zoo blyven? Wie weet! We trachten naar 't betere. Dit trachten is onze roeping, en juist daarom is het plicht de middelen ter verbetering met oordeel te kiezen.

De proeven die sedert korten tyd op het vaste land van Europa, en in Engeland sedert eeuwen, genomen werden, leverden gebrekkige rezultaten op. Aannemende dat elk Volk het recht heeft over zichzelf te beschikken, ryzen er ontelbare vragen, welker beantwoording zoo moeielyk is dat wy door de erkenning van dat recht noch zeer weinig gevorderd zyn. Wat is 'n volk? Vormen de Skandinaviërs één Volk? Hebben de Friezen recht op zelfbeschikking als alleenstaande natie? Behooren Schotten en Ieren by Engelschen? Walen by Vlamingers? Vragen van deze soort kunnen er honderden gedaan worden.

Al konden zulke kwestien behoorlyk—d.i. met terzydestelling van diplomatieke fiktien die by den dag veranderen—worden opgelost, dan staan we voor nieuwe moeielykheden. Het is zeer gemakkelyk een natie toeteroepen: gy zyt uw eigen meesteres, beschik, beveel! Wie moet antwoorden op dezen eisch? Wie is gerechtigd tot gebruik-maken van 't geschonken of veroverd voorrecht? Hoe uit zich de wil van de kollektieve menigte die men «Volk» noemt? Of, erger nog, heeft zoo'n Volk wel 'n wil? Eén wil zeker niet, en dit komt met géén wil vrywel overeen.

Daarna dwaalt men af op den kinderachtigen uitweg van 't stemmen- tellen, en vervalt in 't zeer onwysgeerig aannemen van 'n veronderstelden Volkswil, dien men tegen beterweten aan voorgeeft te kunnen opmaken uit stemmingen welker uitslag en beteekenis beheerscht worden door 'n kiesreglement, dat in z'n geheel willekeurige samenstelling geen andere logische oorzaak van bestaan heeft, dan de zucht om zich met 'n Franschen slag aftehelpen van 'n taak die men niet weet te vervullen.

De daaruit voortvloeiende zeer onnauwkeurige—ja, per se valsche! —manifestatie van den volkswil leidt tot nog onzuiverder rezultaten dan reeds het geval wezen zou indien zekere bepaalde zaak aan 't oordeel der menigte werd onderworpen. Die menigte kiest nu slechts generale gevolmachtigden, tezaam genomen niet den minsten waarborg opleverende dat hun majoriteits-meening met den wil van de Natie, hun lastgeefster, overeenstemt.

Zoo stuiten wy in 't parlementair stelsel overal op onnauwkeurigheid, op genoegen nemen met zeer ruwe benadering, op fiktie, en … op misleiding.

Ook wanneer wy al de gebreken die uit de aangestipte moeielykheden voortvloeien, nu eens aannemen als onvermydelyk—'n treurige veronderstelling!—dan blyft toch altyd de mogelykheid bestaan om 't voorhanden materiaal van staatkundige gegevens eerlyk toetepassen.

En … dit doet men niet! Dezelfde kiezers die, zoodra 't hun byzonder belang gold, zich alleromzichtigst toonen zouden in 't onderzoeken der bevoegdheid en vooral van de intégriteit hunner gemachtigden, behandelen de publieke zaak met 'n slordigheid die aan 't krankzinnige grenst, met 'n gebrek aan konscientie die in 't misdadige overgaat.

Lezen we niet dagelyks in onze couranten dat B, C of D—ik sla nu A over, om den schyn van ondeugende toespeling op m'n schapenparabel te ontgaan—vernemen we dagelyks dat het onze plicht is voor die heeren te stemmen, juist om redenen die hen tot vertegenwoordiging van 't Volk onbevoegd maken?

De een heeft zich byzonder toegelegd op den handel …

Dat zal hem te-pas komen als-i 'n winkel opzet. Goed succes! Maar daarmee heeft 't Vaderland niets te maken.

De tweede was jaren lang in Indië …

We willen hopen dat-i ryk is, of 'n behoorlyk pensioen heeft, zonder leverziekte. Doch dat gaat het Volk niet aan.

Een derde is fabrikant. «Het fabriekswezen, myne heeren, het fabriekwezen …

Zeer wel! Ook dat behoort tot den Staat. Maar ook dat is de Staat niet.

Een vierde kandidaat is byzonder bekwaam in 't Loods-wezen. Hy weet den weg in de zeegaten …

Dat is juist de weg dien wy 't Vaderland niet willen opsturen.

«Zie dien vyfde eens. Men aanbidt hem in z'n district …

Wèl, laat hem dan blyven waar-i bekend is en aangebeden wordt. Het Volk kent hem niet, aanbidt hem niet.

«Gy zult toch dezen zesden niet afwyzen. Hy behoorde sedert z'n prille jeugd van familiewegen tot de zóó-en-zóo-party. Hy is van-ouder-tot- ouder 'n dit-aan, 'n dàt-ist, een van de echte soort!»

Dat zal z'n grootmama plezier doen, van wie hy al die istery en anery geërfd heeft, maar 't Volksbelang heeft àndere eischen. Laat men dien man 'n plaats aanbieden in de een of andere kamer van z'n familie, als daar door 't overlyden van 'n oudtante vakature is. De Staat is niet gediend met lieden die de oplossing van alle maatschappelyke vraagstukken meebrachten uit hun luiermand.

«Wraakt ge ook den zevenden, die als Specialiteit in …

In 't een-of-ander, connu! Ja, wraak ook hem. Ik ontzeg ieder 't recht Volksvertegenwoordiger te zyn die dat recht grondt op iets anders—op wat ook!—dan kennis van de behoefte des Volks in het algemeen, dan toewyding aan de belangen van 't Volk in het algemeen, dan op de gegronde verwachting dat hy nuttig zal wezen voor 't Volk in het algemeen. Het volgen van 'n vooruit bepaalde richting op wetenschappelyk, sociaal of politisch terrein, bewyst òf onbekwaamheid òf verraad, en dit laatste is immer het geval by 't voorstaan van byzondere belangen. De algemeene zaak—res publica—is in de hoogste maat integraal, en moet als zóódanig behandeld worden.

Ik weet zeer goed dat het vertegenwoordigend stelsel in 't algemeen, ook zonder verkeerde toepassing in de onderdeelen, aan dezen laatsten niet kàn voldoen. Doch wie dit toestemt, zal erkennen dat wy de daaraan klevende gebreken niet willens en wetens mogen vermeerderen. Hoe gebrekkig ook de wil des Volks door z'n afgevaardigden wordt kenbaar gemaakt, er is weinig hoop op beterschap indien wy opzettelyk voortgaan, erkend-onbevoegden met die moeyelyke taak te belasten. Zien de liberalen niet in, dat ze zich bespottelyk maken in de oogen der behouders, door dagelyks blyk te geven dat zy hun eigen stelsel òf niet begrypen, òf moedwillig verkrachten? Is er logika in den roep: «weg met Gods genade?» als men te-gelyker-tyd zweert by de genade van Professor X of Dokter Y? Met welk recht rekuzeert men het overwicht van 'n BOURBON of anderen Krates, als men stokstyf beweert dat het leekeplicht is, eerbied te hebben voor de militaire kunde van Luitenant Q? Is het dan alleen om plaats te maken voor katheders dat men zich voor 't omhalen van tronen en bidstoelen zooveel moeite getroostte? Millioenen en millioenen plebisciteeren sedert eeuwen voor 't gezag van den Paus. Weg met die meerderheid, zeggen we nu, wy weten beter! Maar … de anderhalve stem uit Schiedam, die den jeneverstoker Z zoo byzonder bevoegd rekent tot het beslissen van industrieele—en alle andere! kwestien, dàt is 'n àndere heiligheid, dááraan mag niet geschud worden! JOZUA deed de zon stilstaan. Dit werd aangenomen door millioenen stemmen. Vyf-zesduizend jaar lang voteerde 't heele mensdom de onschendbaarheid van JOZUA'S wonder. Die meerderheid wordt op-eenmaal terzy gezet—en ik doe hartelyk mee!—maar mogen we nu telkens 'n nieuwen JOZUA erkennen in ieder dien 't gelukte zich door 'n paar dozyn kiezers te doen proklameeren voor 'n specialiteit in stilstaan?

Wie de aanbevelingen der kandidaten ontleendt, staat verbaasd over de botheid van lezers en de onbeschaamdheid van dagbladschryvers. Deze heeren geven zich niet eens de moeite hun felonie te verbergen, en dringen brutaal aan op de verkiezing van dezen of genen, om redenen die juist den kandidaat het lidmaatschap in de Kamer zouden ónwaardig maken, indien hy inderdaad schuldig ware aan de Kamerdeugden waarvan-i beticht wordt. Laat ons hopen dat er veel gelasterd wordt in die aanbevelingen! Maar in dit geval is 't vreemd dat de betrokkenen zich niet verdedigen. Nooit las ik te-dier-zake 'n rechtvaardiging. Nooit werd 'n dagbladschryver door den kandidaat van z'n krant voor den rechter gedaagd, omdat hy hem in-staat achtte als Kamerlid het algemeen welzyn opteofferen aan ondergeschikte belangen, nu zeer in 't byzonder aan die van z'n distrikt. Nooit eischte een aanstaand vertegenwoordiger des Volks, herstel van eer na de aantyging dat-i gereed-stond dat Volk naar de maat van z'n vermogen te verraden als Specialiteit. Integendeel, de Fritsjens leggen vry onnoozel hun schitterenden Staat-van-Dienst over, en schynen heusch te gelooven dat na hùn verkiezing, tout sera pour le mieux dans le meilleur des parlements possible.

Het best-mogelyk parlement? Dit verkrygen wy op die manier niet!

Wie als specialiteit de Kamer betreedt, voelt zich genoopt z'n kiezers te doen zien dat hy wel terdege de man is waarvoor hy zich … in de societeit Gezelligheid uitgaf. Men was gewoon hem daar gekleed te zien in iets dat naar uniform geleek. Ook schoor de barbier z'n nekharen weg. En z'n rok werd geborsteld door 'n gewezen wachtmeester- titulair, 'n krygskameraad uit de dagen van 't oorlogzuchtig garnizoensleven. Zou, na dit alles, het geacht lid uit de Gezelligheid mogen zwygen by 't behandelen van de vraag, hoe wy de Pruisen uit het land houden? Dat zy verre! Specialité oblige! Het ruischt hem in de ooren hoe z'n kiezers elkaar toeroepen: 't zal me benieuwen wat onze man zegt over de linie van defensie. Zoo-iets is juist z'n fort.

Nu, die kiezers krygen hun zin. «Onze man» praat terdeeg mee. En waarom zoud-i niet? Hy heeft immers—de gelukkige!—verstand van «linien» waarop zich de vredelievende krygsman terugtrekt, en hy weet wat de rug van 'n leger is … 'n ding, naar 't schynt, waarin iemand vallen kan zonder zich te bezeeren, jazelfs voor z'n plezier. Hy licht dus de vergadering voor, zy 't dan niet met technische kennis, dan toch met wat kennis van de meestal zinledige terminologie der techniek. De kruienier van z'n dorp voelt iets in zich van 'n CAESAR of NAPOLEON by 't verondersteld hear, hear! dat de aandacht scherpt op de oorlogswysheid van zyn afgevaardigde. De geldwisselaar op den hoek is wat huiverig geworden in 't aannemen van Cassenscheine, na die redevoering van «onzen man.» 't Is toch maar zeker dat VON MOLTKE, uit het veld geslagen door die fameuze nieuwe linie, geen raad weten zal met z'n armeerug, en dat alzoo de solvabiliteit van den Pruisischen Staat …

«Onderwys? Wacht even, straks zal onze dominee die zaak eens behandelen. We zonden hem naar den Haag omdat het preeken hem wat lastig viel[8]—hy moest zoo, en kan de stovenlucht niet verdragen —maar onderwys z'n stokpaardje, daar kan je-n-op aan! Hy katechizeerde altyd 'n kwartier over den tyd, en op z'n zesde jaar al kon m'n kleine jongen 't heele gebed van MANASSE van-buiten, zoodat nu die reorganizatie van de hooge scholen wel in orde komen zal. Liberaal is-i … van belang! Hy preekte zonder bef, en z'n vrouw heeft 'n cotillon meegedanst op den zilveren bruiloft van onzen burgemeester.»

«Accynsen? Nu, dàt is 'n kolfje naar de hand van onzen X! Hy is graanhandelaar, en heeft molens ook. Altyd lag-i overhoop met de komiezen van 't gemaal. Hy is door-en-door thuis in die zaken … doorkneed! Alles weet-i «binnen» te krygen, en de ambtenaar die hèm iets bewyzen kan, moet nog geboren worden. Lees eens wat onze «provinciale» van 'm zei toen-i gekozen worden zou. De «provinciale» zei, dat … dat … iemand zoo byzonder thuis was in de accynsen als X. De behouders zullen 't hard te verantwoorden hebben als hy begint. Want … praten kan-i … kyk! Verleden by den brand heeft hy 'n toespraak gehouden, wel 'n half uur lang. De spuitgasten stonden perplex, en toen 't dak instortte, had-i nog niet gedaan. Ik verzeker je dat-i niet voor niemendal naar den Haag is gezonden.»

't Is nu maar te hopen dat er geen brand ontstaat in den Haag of in Nederland, in de Kamer of onder 't Volk. De welsprekende gemaal-specialiteit mocht de spuitgasten eens roerloos praten![9]

Het doet my overigens genoegen dat die X zoo'n goede spreker is, daar-i me hierdoor aanleiding geeft om terugtekomen op de specialiteit van mooipraters, 'n ras dat ons moest doen gloeien van eerbied voor den uitvinder van 't Persisch-insectenpoeier. De mensenvriend HAKIM HHAFIZ—daar ik niet weet hoe de man heette, willen wy aannemen dat die naam hem is toegekend door de meerderheid van 'n Vergadering die 't ook niet wist—die HHAFIZ heeft aanspraak op onze dankbaarheid, al ontwaren we dan by warm weer en Kamerzittingen, dat z'n pogingen nog altijd gedeeltelyk onbekroond bleven. In magnis voluisse … o edele HAKIM, troost u daarmee!

De specialiteit van mooipraten, publiekspreken, oratorisch talent, welsprekendheid—de frekwentste onder alle specialiteiten—is 'n ware ziekte, 'n besmetting, 'n pest die uitgeroeid behoort te worden, 'n vloek die men bezweren moet.

Ik heb my onlangs in de IDEEN (Bundel III) hiermee te lang bezig gehouden, om daarby nu te blyven stilstaan. De belangstellende lezer wordt naar dat werk verwezen, en ik zal dus hierover nu niet meer zeggen dan noodig is tot het aanwyzen van den nadeeligen invloed dezer soort van specialiteit op de Vertegenwoordiging des Volks.

Welsprekendheid in den zin die men gewoonlyk aan dit woord hecht, behoort te-huis op den kansel. Het opdringen van ongerymdheden kan niet gelukken, zonder zeker flux de bouche dat we aan goochelaars, geestelyken en biologen moesten overlaten. By 't nuchter behandelen van zaken—en dit is zoowel voor de balie als op de Volkstribune een vereischte—komt het aan op de zaken-zelf, en niet op de manier waarop deze of gene praatspecialiteit die zaken weet voortestellen. De aangevoerde feiten behooren wèl te spreken, en kunnen dan de welsprekendheid van den rhetor zonder scha missen niet alleen, maar worden daardoor in het duister gesteld. Welke waarde heeft de vryspraak van den beschuldigde, indien men daarby de bekwaamheid van z'n verdediger op den voorgrond zet? Welk vertrouwen kan 't Volk stellen in de doelmatigheid van 'n genomen maatregel, wanneer daartoe beslist is onder den indruk der redevoering van 'n mooiprater? Men bedenke dat het by behandeling van zaken niet om overreding te doen is, niet om 'n kinderachtigen triumf over tegenstanders, niet om de problematische eer van van 't laatste woord. De vraag is hoe de feiten zyn. Hoe die van elkander afhangen? Hoe er moet gehandeld worden om ze in de toekomst naar wensch te leiden? En dit doel wordt niet bereikt door oratorische inspanning of overspanning.

Erger nog, op dat doel wordt onder 't regime der mooi-pratery niet eens aangelegd. Het spreken-zelf staat dikwyls 't belang der zaak waaròver men spreekt in den weg, zooals in den schouwburg 't luid gesis òm stilte, de stilte. Het is den specialiteit-prater minder om 't welzyn des Vaderlands te doen, dan om den bloei van z'n redenary. En ook z'n tegenstanders slaan meer acht op de rhetorische waarde van z'n arbeid, dan op den invloed dien z'n redeneering behoorde te hebben op hun oordeel, een invloed die dan ook zeer gering is. Lang voor 't openen der debatten kan men vry nauwkeurig weten hoe de uitslag van de stemming wezen zal, waaruit mag worden opgemaakt dat de advokatery der pleiters geen enkele overtuiging wijzigt. Liever: geen enkel parti pris, want van «overtuiging» kan in zóó'n bedorven kring geen spraak zyn.

De waarde die in-weerwil hiervan, nog byna overal aan publiek-spreken gehecht wordt, legt 'n droevig getuigenis af van den ernst waarmee men waarheid naspoort. Als meest eenvoudig geneesmiddel voel ik me alweer genoopt te wyzen op de wiskundige, die in de harmonie van 't Zyn, uitgedrukt in hoeveelheden of uitgebreidheid, de schoonheid van het stipte, de poëzie der juistheid najaagt. Hy vindt dit alles niet in 'n byzondere wyze van voorstelling, maar in de eenvoudige vermelding van 't gevondene dat hem uitdrukkingen in den mond legt welke steeds, en in veel hooger zin dan we gewoonlyk dit woord gebruiken, wél-sprekend zyn. Wat daartegen strydt, noemt hy Leugen. En zelfs zonder bepaalde tegenstelling, al wat afwykt van 't eenvoudig ware, is hem ónwaarheid, en als zoodanig 'n gruwel.

Mooipraten? In de couranten, die verraderlyke fotografien van onzen maatschappelyken toestand—de oplettende lezer begrypt dat ik nu bepaald van de advertentien spreek, daar fotografien aan iets als juistheid doen denken—in de couranten wordt nu-en-dan eine gewandte Verkäuferinn gevraagd. Hoe men zoo'n ding in 't Hollandsch noemt, weet ik niet. De zaak zal wel hierop neerkomen, dat men 'n schepsel zoekt die het talent heeft 'n onbedreven klant verschoten lapjes aantepraten. Heeft de specialiteit van zoo'n winkelmeubel werkelyk voor den patroon eenige waarde? Oefent zoo'n geacht lid van de toonbank inderdaad 'n goeden invloed uit op het geluk des Volks dat wat welvaart komt opdoen uit haar voorraad?

Op my niet! Ik tart de meest gewandte Verkäuferinn van 't heele nieuwe Duitsche Ryk, my 'n kadaster-wetsontwerp of 'n reorganizatie van de Preanger in de hand te stoppen voor 'n waardig antwoord op den Havelaar, en ik zou geen slaapmuts aannemen uit haar hand, al verzekerde ze my op eerewoord dat VAN TWIST—bygestaan dan door andere specialiteiten, omdat hyzelf de specialiteit van volslagen onbekwaamheid beoefent—dat ding had gebreid.

Maar onze kieskollegien en Kamers zyn zoo keurig niet. In die winkels stelt men zich met de nieuwe juffrouw tevreden, zoodra zy zeker soort van omstanders tot handgeklap weet te bewegen, en vraagt er zóó weinig naar of ze overigens verstand van de zaken heeft in 't algemeen, dat men ten-laatste die zaken met het effekt van haar praatjes verwart. Dit nu is in 'n winkelier begrypelyk. Hy slyt z'n waren door de gladmondigheid van z'n vertegenwoordigster, en daarom alleen is 't hem te doen. Doch behoorde niet het Volk aan z'n afgevaardigden àndere eischen te stellen?

«De redevoering van A, van B, van C, was mooi …

Heel mooi! Maar, eilieve, zyn we daardoor een graad veiliger voor de
Pruisen?

«Onze D heeft daar eens weer perfekt gesproken!»

«O ja, byna zoo mooi als onlangs in de «Gezelligheid» maar de werkman is ontevreden. Kan hy voedsel koopen voor D's prachtige oratie! Is de kans op algemeene welvaart verbeterd?

«Heb je gelezen hoe onze E dien F op z'n plaats heeft gezet? Dàt was taal!»

Zeker, zeker! Maar … de Javaan wordt mishandeld, met of zonder akkompagnement van kamerspeeches, met of zonder de Gewandtheit der Bataafsche toko-specialiteit die z'n diepe kennis van Indische zaken te luchten hangt.

Maar niet alle mooipratery riekt juist naar den winkel. Ook, en vooral, de balie levert gewoonlyk 'n kontingent sprekers die de toonbank zouden doen blozen, wanneer 'n toonbank blozen kon.

«De rechten, myne heeren, de rechten …

Nu ja, de rechten. We kennen ze, die vadermoordende bastaarden van het Recht! De rechten vullen alle plaatsen die openbleven tusschen de bezette botertonnetjes en de vertegenwoordigers van Vlaardingsche haring! Zoo'n man van rechten spreekt, spreekt, spreekt … tot in 't oneindige. En daarna spreekt-i. Dat is z'n vak, z'n roeping, z'n beroep, z'n gewoonte, z'n hebbelykheid, z'n behoefte, z'n tic. Het spreken is z'n zeer speciale specialiteit

Daartoe werd-i dan ook afgevaardigd!

Waarover spreekt hy? 't Is hem om 't even. Hoe? Het scheelt hem niet. Hy spreekt niet om iets op tehelderen, iets meetedeelen, hy spreekt òm te spreken. Z'n kiezers wachten van hem zooveel kolommen Byblad in de week. Levert-i minder, ze fronzen het voorhoofd: hm, hm, onze Z gaat achteruit. Draaft hy z'n penmus 'n paar regels voorby: «zie zoo, Z is terdeeg op z'n dreef geweest».

De arme Z wordt martelaar van z'n dorpsroem. 't Is met hem: «spreken kunt ge, spreken wilt ge, spreken zult ge … tot er de dood na volgt, en dan wachten wy uit uw eigen mond de lykrede.» De ongelukkige allemans-babbelaar is nog rampzaliger dan z'n mede-specialiteiten in andere vakken. Deze toch behoeven zich slechts op den voorgrond te stellen wanneer hun métier wordt aangeroerd. Maar Mr. Z is van àlle vakken, juist omdat de eigenaardigheid van z'n welspreken meebrengt dat-i redevoeren kan over zaken waarvan hy òf weinig weet, òf byna niets, òf volstrekt niemendal. Waartoe zou de gaaf van spreken dienen, als men daarby nog verstand noodig had van 't behandelde ook? De zeeman mag zwygen over tienden … al doet hy 't niet immer. De bankier kan neutraal blyven by 't kibbelen over armenverzorging … al doet hy 't niet immer. De afgevaardigde uit de veenen mag op z'n lauwren rusten zoodra de turf afgehandeld is … al doet hy 't niet immer. De kiezers gunnen al die heeren den tyd tot kraamuitleggen na 't verlossen van hun vakwysheid. Maar de praatspecialiteit is gedoemd zich te laten braden op èlken rooster. Hy heeft na 't afhandelen van eenig onderwerp, nauwelyks den tyd zich als St. Laurens, op z'n andere zy te leggen. Turf, armenbederf, eeredienst, verstopte zeegaten, koninklyk prerogatief, volkenrecht, buitenlandsche zaken, vrye-arbeid, pensioenen, strafwet, onderwys … alles is van z'n gading. Of liever, alles is van de gading zyner kiezers die «onzen man ook wel eens over dat onderwerp willen hooren.»

We zullen niet toegeven in ziekelyk medelyden met het praatorgel, dat veroordeeld is tot het afspelen van meer deunen dan er op één cylinder kunnen gezet zyn. Wie zich voor universeele deunmachine uitgaf, moet dan maar de bittere gevolgen van z'n triumf dragen. Maar we vragen wat er terecht komt van de zaken die op zulke wys worden behandeld? We vragen of 't Volk gebaat wordt door de mondknapheid van zoo'n babbelaar?

Misschien werpt men my tegen dat ik die aan specialiteiten hun bekrompenheid verwyt, genoegen moest nemen met de … generaliteit van iemand die over alles meespreekt, en dien men dus niet verwyten kan dat de kring waarin hy zich beweegt, te nauw is. Die ruimte moge wyder zyn dan van anderen, ze is—grootendeels ten-gevolge van 't eigenaardig hersenbederf dat de studie der zoogenaamde «Rechten» meebrengt—gewoonlyk minder goed gevuld. Heeft men by vakmannen te klagen over penurie van zaken hier hebben we met profuzie van woorden te doen. Het is de eersten onmogelyk zekere enge grenzen te overschryden, maar praters kunnen zich binnen geen enkele grens tot iets wezenlyks bepalen, en wanneer men de zaakkennis van dezulken, en 't licht dat ze verspreiden, kondenseert, voelt men iets als sympathie voor de andere specialiteiten, die wel-is-waar slechts één zaak reprezenteeren, maar zich daarover dan ook niet behoorlyk weten uittedrukken en dus meer kans hebben om door zwygen tot 'n schyntje van iets degelyks te geraken. In dit laatste geval blyft hun tenminste de verdienste, het woord te laten aan den enkele die inderdaad iets te zeggen heeft waardoor misschien het Volk kan worden gebaat.

Uit m'n IDEEN kan men weten hoe ik de staatkundige waarde van den heer THORBECKE beoordeel. Toch heb ik onlangs z'n handelwyze in zekeren zin goedgekeurd, toen hy zich onttrok aan het praatduel waartoe 'n debatteer-specialiteit van de ergste soort hem aanhoudend dwingen wilde. De poging van den aanvaller om zich tot «iets» te maken, door 't voortdurend mikken op 'n persoon die naar de meening van 'n groot deel des Volks sedert langen tyd iets is, noem ik … kwajongensachtig. Ik moet gelooven dat de man by z'n kiezers eer heeft ingelegd met z'n sarren, daar de rol die hy spelen zou, te voorzien, en waarschynlyk een der voorwaarden van z'n verkiezing geweest was. Het is dan ook mogelyk dat-i nu-en-dan z'n tegenstander gekwetst heeft. Maar de grootere eer, door dien tegenstander gekwetst te worden, is hem ontgaan. De in dit geval door de liberale specialiteit in-achtgenomen terughouding zou ons byna stemmen tot wat vergevensgezindheid voor de zotternyen van '48, indien hier aan iets anders dan zeer persoonlijke beweegredenen te denken viel. De persoon THORBECKE wilde niet tournooien met het individu dat zich als «geacht lid» uit … een-of-ander, zoo indiskreet opdrong in z'n vyandschap, maar 't Kamerlid THORBECKE gaf te dikwyls bewyzen van onkunde omtrent de ware roeping der Volksvertegenwoordigers, dan dat z'n terughouding aan staatkundig bon sens mag worden toegeschreven. Dit is dan ook niet te verwachten in den schepper onzer kieswet, die volgens zyn beginselen, als lid der Kamer het recht niet had zich te ontrekken aan de noodzakelyke gevolgen van z'n eigen werk. Zulke verkiezingen brengen zùlke geachte leden voort! Patere legum quam fecisti!

Of 't overigens waar is, dat het bedoeld ad hoc afgevaardigd kemphaantje z'n kiezers behaagd hebbe? Ik gis ja. Waarschynlyk zyn z'n herhaalde provokatien met innig welgevallen gelezen. Me dunkt ik hoor zeggen: «dat is onze man!» Welnu, deze ingenomenheid vloeit voor 'n deel uit onkunde voort. De meerderheid der kiezers nog altyd van meening dat praten, spreken, publiekspreken, redevoeren, enz. uitstekende zaken zyn. Men schynt nog altyd niet te weten dat niets gewoner is dan dit talentje. 't Gaat daarmee als met muskaatnoten, versenmaken en speciaalkennis van «de-n-oost» altemaal kruieryen die eens tegen goud werden opgewogen, en tegenwoordig in 't burgerlykst huishouden tot vervelens toe worden voortgezet. Voedsel zit er in al die dingen niet, en overvoer deed den prys dalen. Dat is gelukkig. Want al vloeit hieruit verhooging van konsumtie voort, het stemt de waardeering van 't gebruik wat lager, en dit is iets gewonnen.

Maar zóóver zyn we nog altyd niet met debatspecery. Nog immer vinden mensen en … kiezers, 'n haut goût van talent in de hebbelykheid van frazenlymen. Ze schynen niet te weten dat de prys van dit artikel sedert de afschaffing van 't monopolie zoo verbazend gedaald is. Wat onbevangenheid, 'n beetje gewoonte z'n eigen stem te hooren, le désir de se voir imprimé, 'n twintigtal gelegenheids-frazen, 'n wel geprepareerd slotwoord, et le tour est fait!

Voedsel zit er in dat alles niet, zei ik zoo-even, toen ik van andere goedkoope produkten sprak. Zit er voedsel in wat we zien voortbrengen door zulke publieksprekers? Om te blyven by 't voorbeeld dat ik aanhaalde, durf ik vragen of er in al die aanvallen van 't geacht lid KOORDERS tegen den heer THORBECKE, één nieuw denkbeeld is ontwikkeld? Of er één oud denkbeeld in nieuw licht werd gesteld? Of er iets is overgebleven van die telkens tevergeefs afgestoken vuurwerkjes? Werd er in 't grenzeloos ryk der IDEEN 'n nieuw werelddeel ontdekt? Een vreemde kust? Een onbekenden klip? Een dorp, 'n rots, 'n zodenbankjen, 'n zandkorrel? Niets van dat alles! Niet eenmaal 'n nieuw kiesdistrikt. Geen mot zelfs is blyven bestaan van al de projektielen waarmee de arme THORBECKE uit z'n eigen kies-mitrailleuse beschoten werd. Wind zyt ge, o praat-specialiteit, tot wind zult ge wederkeeren. Dat zy zoo!

De wensch is vroom. Van alle specialiteiten is de redevoerspecialiteit de verderfelykste, de onuitroeibaarste! In-weerwil der uitvinding van den beroemden HAKIM HHAFIZ, is de kans op genezing van de ziekte nog zeer gering. Ge moet weten, lezer, dat die man te stryden heeft met boosaardige vyanden. Venynige tegenstanders hebben in Perzie z'n pogingen verydeld door 't oprichten van dispuut-kollegien en debatings-klubs. Men ziet het, iemand die z'n tyd vooruit is, stuit gewoonlyk op boosaardige tegenwerking. Ook ik heb 'n uitvinding gedaan. Ik wilde de publieksprekers inenten met de tranen van 'n berouwhebbenden ekster. Maar ik houd de ontdekking geheim, uit vrees dat broodnyd en zucht tot zelfbehoud zich zullen wreken door 't oprichten van instituten als die in Perzie den armen HHAFIZ het leven verbitteren. Ik denk dat-i naar Wiesbaden vluchten zal.

Wie overigens nog niet voldoende doordrongen is van den noodlottigen invloed der praatspecialiteiten, sla het oog op 't ongelukkig Frankryk waar men, na al de bittere ondervinding van 't laatste jaar, nog altyd niet van de kwaal genezen is. Toen dezer dagen de generaal VINOY met al de duizende vechtmannen die hy onder z'n bevelen had, gevlucht was voor de opstandelingen te Parys, gaf 'n frazensmid van die gebeurtenis aan de Assemblée Nationale kennis met de woorden: le général a concentré ses forces à Versailles. Indien de Fransche afgevaardigden Duitsch lazen, zouden ze weten dat sedert maanden hun vechtende en gevechtbeschryvende landgenooten door den vyand over zulke frazen worden bespot, en dat de uitdrukking: sich rückwärts konzentriren, op Franschen toegepast, in den mond der opgeblazen onderdanen van Keizer WILHELM—die op hun beurt óók met frazen weten omtegaan! —identiek is geworden met schandelyk wegloopen. De vaderlandredders in de Assemblée slikken nog altyd zulke woorden, en zetten daarby een gezicht alsof ze doordrongen zyn van 't besef der strategische waarde van zoo'n militaire retrovolutie. JULES FAVRE, een pleit-en praatman, spreekspecialiteit van den eersten rang, vond 'n andere manier uit om lafhartige vlucht te eufonizeeren. Hy, lid van de Regeering, had—even als al z'n ambtgenooten trouwens—'t hazenpad gekozen voor de oproerlingen van 't Hôtel de Ville, en met majestueuze deftigheid stelde hy die rugwaartsche koncentratie aan de Volksvertegenwoordiging voor, als 'n heroïsche poging om den vyand te verdelgen: en créant autour de lui le vide le plus absolu. 't Doet waarlyk denken aan 'n muisjen onder de luchtpomp. Maar … als nu eens die vyand, aangetrokken door 't zoo heldhaftig geschapen vacuum, zich liet voorttrekken naar Versailles, en verder, verder, zoo vèr de door voortdurende vlucht veroorzaakte ylheid toelaat of eischt … wat dan? Que usque, o dappere JULIUS FRAZE? Hoe lang wilt ge den vyand op u toe zuigen? Ik heb ongelyk. Er staat: autour, luchtledige zuiging dus aan alle kanten tegelyk … 't is om te bersten.

De Assemblée neemt genoegen met zulke cant, zy die optreedt als redster van 't bedrogen Frankryk dat te-gronde werd gericht door praatjes van gelyke soort. Die mensen hebben niets geleerd en niets afgeleerd. Doch waarom 't hùn te wyten? Werden ze niet door 'n wettelyk bevoegd verklaard deel des Volks waardig en bekwaam gekeurd, de belangen van dat Volk te behartigen?

Tot-nog-toe ging het ten-onzent niet beter. En 't is te betwyfelen of dit veranderen zal. Maar, in-weerwil myner moedeloosheid zal ik blyven waarschuwen zoo goed ik kan. Wie meenen mocht dat ik by veel gelegenheden, en ook nu weer in deze bladen, onze Volksvertegenwoordiging te hard val, vrage zich of de Kamers by 't Volk in aanzien zijn? Dit is het geval niet. De kiezers minachten hun eigen werk. Vreemd is 't zeker, dat koks de spijzen niet lusten die zij anderen voorzetten. Reeds het bywonen van 't vuil geknoei in de keuken, maakt het onmogelijk die met smaak te nuttigen, hoe veel te meer moet dit het geval zyn als men heeft deelgenomen aan dat gemors.

En … 't oordeel der Kamerleden-zelf! Wie slechts eenmaal gelet heeft op den toon waarop buiten 's kamers zoo'n uitverkorene zijn mede-uitverkorenen «ze» noemt, zal my ten-goede houden dat ik met die heeren weinig omslag maak, waartoe geen groote moed vereischt wordt, daar ieder hunner in 't byzonder volkomen instemt met m'n oordeel over z'n «geachte» kollegaas en-bloc. Dagelyks hoort men:

«Dat begrypen ze niet … dáártoe zyn ze niet te bewegen … zoo-iets is hun te hoog!»

En de éénling die aldus spreekt en accentueert, heeft gelyk. Er ligt niet de minste verwaandheid in, dat hy zich als individu hooger stelt dan al z'n ambtgenooten te-zamen genomen. Hy voelt inderdaad het overwicht van z'n onverbrokkelde individualiteit tegenover de poespas van kennis en kunde, die door gebrek aan affiniteit nooit 'n dergelyk geheel kan uitmaken. Een verzameling van mensen bezit als zoodanig nooit een der eigenschappen die 'n mens kunnen versieren. Ze heeft geen konsekwenten wil, geen overtuiging, geen bekwaamheid, geen geweten, geen eergevoel, geen schaamte en geen moed. Elk individu, hoe schitterend middelmatig ook, staat boven 'n Vergadering, (IDEE 9 en 336).

Wie na al 't aangevoerde nog verder bewys verlangt van de laagte waarop onze Volksvertegenwoordiging staat, legge zich de vragen voor:

Welk werkstuk heeft ooit onze Kamer voortgebracht? Welk belangryk denkbeeld is uit haar voortgekomen? Welke blyken gaf zy dat ze besef had van haar verplichtingen? Op welk gebied leverde zy voorbeelden ter navolging? In welk opzicht was zy uitstekend? Wat heeft het Vaderland aan z'n vertegenwoordiging te danken?

Uit overvloed van individueele specialiteiten in allerlei vakken, werd zy altyd verhinderd kollektief te zyn wat ze uit den aard der zaak wezen moest: algemeene SPECIALITEIT ter behartiging van de belangen des VOLKS.

Ziedaar alzoo wat de in willekeurige brokstukken verdeelde opinie der menigte oplevert! Vox populi Vox Dei, zegt men, zonder te bedenken dat men daarmee z'n God 'n vreemd kompliment maakt. Een zonderlinge eer voorwaar—en voor 'n God nogal!—homogeen te worden verklaard met kannibalen, roovers, heksenbranders, stommerikken, aanhangers van oudwyvenpraatjes, geloovers, verstandmoorders, enz. enz. Hadden niet al die specialiteiten van beroerdheid eenmaal—en hebben ze niet nog, in zekere landen—zoo'n Vox op haar hand? Doch, dit daargelaten, ik vraag of zy die den wil van hun God vereenzelvigen met den Volkswil, geen zonde doen door die eensluidende voxen doorteknippen als 'n poliep? Me dunkt: ge zult den Heere uwen God niet distriktifieeren. Zéker is 't dat myn godin, de Rede, geen genoegen neemt met zulke kinderachtige en misdadige kunstjes.

midi to mp3   pdf-to-jpg.org   flash-map-shop.com